PLANTAGE JAGTLUST

VERHALEN OVER DE GESCHIEDENIS VAN JAGTLUST, COMMEWIJNE EN HEEL DE KOLONIE SURINAME

Eerder geplaatst op FB pagina: Plantage Jagtlust (Auteur: Jacob van der Burg).

BRONNEN o.a.: Digitaal krantenarchief Delpher.nl., Nationaal Archief, Amsterdams stadsarchief, Surinam Heritage Guide (Philip Dikland), Surinaams Museum, Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië en veel ongelabelde informatie via internet.

INTRO

Plantage Jagtlust, gelegen aan de Suriname rivier, was één van de ruim zeshonderd plantages, die Suriname ooit telde. Mijn interesse in de plantage werd in mijn jeugd al gewekt (hierover later meer). Bij een recent bezoek aan Suriname trof ik toevallig(?) een aantal mensen die op één of andere wijze met Jagtlust verbonden waren. De één stamde af van Hindostaanse contractarbeiders die op de plantage gewerkt hadden. Een ander telde in zijn stamboom iemand die als slaaf op Jagtlust werkte ten tijde van de afschaffing van de slavernij. Een andere ontmoeting bracht ons in contact met iemand die net een perceel grond op het plantage terrein gekocht had om een huis op te bouwen. Naar voren kwam de vraag of er nog ergens een archief van de plantage bewaard zou zijn.
Terug in Nederland ging ik op zoek en stuitte bij het Amsterdamse Stadsarchief op stukken van de Bank Insinger en Co, waarin een aantal documenten betreffende Jagtlust aanwezig was. Helaas loopt dit archief niet verder dan ergens in de 18e eeuw. Hoewel niet groot, lijkt de plantage wel een meer dan gemiddelde plaats in de Surinaamse historie gehad te hebben. Dit, gevoegd bij mijn al bestaande belangstelling, heeft mij ertoe aangezet te proberen, op grond van algemene gegevens toch een soort dossier Plantage Jagtlust aan te leggen. Een dossier waarvan ik hoop dat het zal groeien in de loop van de tijd. Aanvullingen en kritiek zijn altijd welkom. Er zal dankbaar gebruik van gemaakt worden!
In de geschiedenis van Jagtlust weerspiegelt zich natuurlijk ook de historie van de kolonie Suriname in haar geheel. Daaraan kan en moet niet ontkomen worden
In Nederland lijkt de belangstelling voor Suriname niet heel groot. In gesprekken daarover komen voornamelijk zaken als de slavernij en decembermoorden naar boven. Gekoppeld aan de Zwarte Piet discussie komt telkens weer de eventuele schuld van Nederland en het aanbieden van excuus aan bod. Er lijken alleen uitersten te bestaan.
Aan de ene kant zij die uitgebreid de gruwelijkheden van de slavernij beschrijven en aan de andere kant de mensen die zeggen dat men alles in zijn tijd moet zien en dat alleen enkele excessen het beeld scheef trekken. Mijn standpunt is dat we moeten erkennen dat Nederland in het verleden een aantal zaken tot stand heeft gebracht, die ook nu nog hun nasleep  hebben en belemmerend werken op een gunstige ontwikkeling van het land. Niet alleen is de oorspronkelijke bevolking, de indianen, gedecimeerd, maar door import van grote groepen van elders, is een heel diverse bevolking tot stand gekomen. Daarbij doel ik niet alleen op de aangevoerde slaven, maar evenzeer geldt dit ook voor de Hindostanen en Javanen die na de afschaffing van slavernij als contractarbeiders naar Suriname kwamen. De verschillen lijken nog steeds bepalend voor het land. Naast nazaten van slaven en contractarbeiders, zijn er ook nog de mensen wier voorouders plantagehouders waren. Plus Europeanen en mensen van buiten dat werelddeel, o.a. Chinezen, die in de loop van de tijd naar Suriname emigreerden en er in diverse lagen van welstand terecht kwamen. Bijna een onmogelijke opgave om zo een stabiel land op te bouwen.
In hoeverre met bepaalde zaken uit het verleden nog afgerekend zal moeten worden is een zaak voor de Surinamers zelf. Ons viel op dat er ten aanzien van de Nederlanders weinig rancune bestaat. Vaak hoorden we “We moeten het verleden vergeten en naar de toekomst kijken”. Ik denk dat wij het land helpen door ons in haar geschiedenis te verdiepen en het te bezoeken. Te vaak wordt er in Nederland nog alleen in negatieve zin over Suriname gesproken. Daar is niemand bij gebaat.

Jacob van der Burg

EEN PERSOONLIJK VERHAAL.

 

Als jongen van tien kwam ik in vijftiger jaren geregeld over de vloer bij tante Ella en oom Folmer. Echt familie waren ze niet. We hadden ze leren kennen door een paar broers, die vlak na de oorlog bij ons huis kwamen om in Nederland de middelbare school te bezoeken. Hun ouders, naar Suriname verhuisde Nederlanders, waren kennissen van mijn ouders.
Oom Folmer heette in werkelijkheid Reinders Folmer. Hij was rond 1895 naar Suriname vertrokken om op plantage Jagtlust aan het werk te gaan. Eerst in een ondergeschikte

functie, maar daarna al vlot als beheerder. Pas na de tweede wereldoorlog waren hij en zijn vrouw definitief naar Nederland teruggekeerd. Geboeid luisterde ik bij hen thuis naar ontelbare verhalen over die verre onbekende wereld, dikwijls daarbij onthaald door tante Ella met allerlei zoete Surinaamse lekkernijen.
Op een keer nam oom Folmer me mee naar boven en liet enkele voor mij heel bijzondere zaken zien. Een zweep, een pistool en een degenstok, attributen waarvan hij vertelde dat je die wel nodig had om op de plantage de orde te bewaken!
De tijd verstreek en onze contacten werden zeldzamer en stopten tenslotte.
Pas enkele jaren geleden kwam Plantage Jagtlust weer in beeld. Dat was toen in het tv-programma Andere Tijden een ex- bewoner van Plantage Peperpot, Joost Jansen, vertelde over die aardige tante Ella en Oom  Folmer, waar hij in de oorlogstijd als jongen vaak over de vloer kwam. Ik maakte contact met hem en kwam via hem weer in contact met mensen in Suriname. Ik ging me verdiepen in de geschiedenis van de kolonie Suriname en geleidelijk groeide het verlangen dat land ook eens echt te gaan bezoeken. Dit bezoek werd gerealiseerd in voorjaar 2017. Vanaf dat moment raakten we in de ban van het land en de mensen die we er troffen. We bezochten onder andere het terrein van de oude voormalige plantage. En al die indrukken samen waren de impuls om te proberen zoveel mogelijk over het verleden naar boven te brengen, waarvan hier het resultaat.

Jacob van der Burg

HOOFDLIJNEN GESCHIEDENIS KOLONIE SURINAME.

Bij de vrede van Breda in 1667 ruilde Nederland het toekomstig New York voor Suriname. Suriname was 17 jaar eerder door de Engelsen in bezit genomen en er had zich al een aardig aantal plantages gevestigd. Toen de Britten vertrokken kwam aan deze bloei een einde omdat zij ook een aantal slaven met zich meenamen. Met massale import van zwarte Afrikanen, een handel waar men al flink veel ervaring mee had, lukte het weer een redelijke  arbeidsmacht op te zetten. Pogingen met Indianen en tuchthuisboeven uit Nederland waren geen succes. Indianen waren fysiek niet sterk genoeg, de tuchthuisboeven te onbetrouwbaar en opstandig. Geleidelijk kwamen er steeds meer plantages. Nadat Zeeland de eerste 15 jaar eigenaar was geweest, werd daarna het beheer overgedragen aan de Sociëteit van Suriname, een samenwerkingsverband van de WIC, de stad Amsterdam en de Amsterdamse familie Van Sommelsdijck. In de kolonie Suriname zelf lag de hoogste macht bij de gouverneur. Deze werd bijgestaan door raden, die zich o.a. bezig hielden met civiel- en strafrecht. In deze raden zaten voornamelijk planters. Hun belangen waren niet altijd met de belangen van het Nederlands gezag in overeenstemming. De geschiedenis van Suriname is dan ook doortrokken van conflicten tussen die raden en de gouverneurs. Deze laatsten wisselden elkaar in hoog tempo af. Een andere nog belangrijkere strijd is die welke gevoerd werd tegen weggelopen slaven (marrons), die zich gevestigd hadden in de bossen. In een soort verdeel en heers methode werden deelovereenkomsten gesloten en voor bepaalde groepen werd kwijtschelding van straf of zelfs vrijheid beloofd.

Deze situatie verbeterde iets toen na de afschaffing van de slavenhandel het wel duidelijk werd dat afschaffing van de slavernij onontkoombaar was. Toen dat in Suriname eindelijk geschiedde (1863) werd in eerste instantie geprobeerd het arbeidsverlies op te vangen door vrijgemaakten te verplichten nog tien jaar op de plantages te blijven werken. Na de periode van tien jaar verlieten de ex-slaven in groten getale de plantages. Hun vertrek werd opgevangen door grootschalige import van contractarbeiders uit Brits-indië en later door import van Javanen uit Nederlands-Indië. Het beheer over Suriname lag inmiddels al lang niet meer bij de Sociëteit (opgeheven bij de komst van de Bataafse Republiek), maar bij de Nederlandse regering zelf.

Langzamerhand brak rond 1900 het einde voor de plantagecultuur aan. Steeds meer plantages werden opgedeeld in kleinere percelen, waar ex-contractarbeiders, maar ook latere immigranten hun eigen gewassen verbouwden.

Jacob van der Burg

VOORLOPERS VAN PLANTAGE JAGTLUST.

Voordat Nederland in 1667 eigenaar werd van de kolonie Suriname, was deze al vanaf 1650 Engels bezit. Op de oudste bekende kaart van Suriname, staat op de plaats van het huidige Jagtlust al een vermelding. In die tijd werd een plantage vaak aangeduid met de naam van de eigenaar.

Op de site van de Suriname Heritage Guide (samengesteld door Philip Dikland) staat hierover het volgende vermeld.

“Uit de Engelse kaarten van Thornton en die in de JCB library blijkt dat de rechteroever in 1667 gekoloniseerd was. Clark en Bootiman hadden er hun plantages. De landstreek in z’n geheel wordt op de kaart aangeduid als “Wiampebo”. Later zou blijken, dat deze naam ook was gegeven aan de plantage van Bootiman. De kaart is te onnauwkeurig om de exacte locatie van de plantages te bepalen.
Op de kaart van Mogge uit 1671 wordt alleen de plantage van Bootiman (“Boeteman”) nog aangegeven. Clark wordt niet meer genoemd.
Op de z.g. “Labadistenkaart” van 1686 wordt B. Perduijn genoemd als de eigenaar.
Twee jaar later, op de kaart van Frederik de Witt, worden de plantages “Jampabo” en “Sauribo” genoemd. De plantages zijn klein, het lijken meer een soort buitenplaatsen of “Combé’s” zoals men ze in Suriname noemt. Eindelijk hebben we dan een kaart in handen waarmee nauwkeurig de locatie kan worden vastgesteld. “Jampabo” is het latere Jagtlust, en “Sauribo” ligt ter plaatse van het latere Dordrecht.
Balten Perduyn, de eigenaar van Waiampibo in 1688, was in 1675 reeds in Suriname, en wordt vermeld op de lijste van weerbre. mannen der duijtsche natie van dat jaar (RAZ 2035 – 262). In 1680 was hij burgemeester en lid van de krijgsraad, en kreeg hij een plaats in de vergrote Raad van Politie.”

In 1688 speelde de plantage nog een belangrijke rol rond ongeregeldheden na de moord door muitende soldaten op Gouverneur Sommelsdijk. De plantage was namelijk de plek waar het wettig gezag zich terug trok om vandaar onderhandelingen met de muiters te voeren. De opstand werd neergeslagen en de voornaamste muiters berecht. Na de gebeurtenissen van 1688 verdween Waiampo uit beeld, en werd vermoedelijk verlaten.

Ongeveer 50 jaar later kwam het vervolg.

Jacob van der Burg.

DE OUDSTE GESCHIEDENIS VAN PLANTAGE JAGTLUST.

Met de bouw van Fort Nieuw Amsterdam tussen 1734 en 1747 bij de samenstroom en mondingen van de Commewijne en de Surinamerivier kreeg de benedenloop van de Surinamerivier een betere bescherming tegen indringers. Er werden initiatieven genomen om plantages in cultuur te brengen. Zo ontstond onder andere Jagtlust. Deze plantage werd omstreeks 1735 aangelegd door Frederik Berewout, onder meer bevelhebber van de West-Indische Compagnie. Er kwamen later uitbreidingen bij en zo ontstond uiteindelijk een plantage van 2.000 akkers. In 1777 verhypothekeerde Berewout zijn gehele bezit bij het negociatiefonds onder Pieter Biesterbosch te Amsterdam. Na tien jaar was deze hypotheek bij lange na nog niet afgelost en het fonds nam de plantages in eigendom. In 1793 werd cacao en katoen verbouwd. De plantage werd in 1818 verkocht aan de beheerder, de administrateur George Nicolas Linck uit Hamburg. De plantage kende verschillende administrateurs of beheerders. In 1826 kwam Jagtlust door vererving in bezit van Johanna Charlotta Vogt. Zeker tot 1846 bleef deze in de familie. Via verschillende beheerders kwam Jagtlust uiteindelijk in bezit van de heer Barnet-Lyon. Bij de emancipatie van 1863 kregen slaven de vrijheid. Barnet-Lyon kreeg vergoeding voor 192 slaven. Tussen 1874 en 1929 zijn door George Barnet-Lyon en zijn erfgenamen 1061 Brits-Indische en 793 Javaanse contractarbeiders aangenomen om de plantage te kunnen voortzetten. In 1891 werd de toenmalige directeur door een opstandige Hindostaanse werknemer vermoord. Aan het einde van de negentiende eeuw was Jagtlust nog de grootste cacaoproducent van Suriname. Door diverse oorzaken liep de cacaoteelt terug. Overschakeling op koffie bracht weer nieuwe welvaart. Na het overlijden van Barnet-Lyon bleven zijn erfgenamen zeker tot 1938 eigenaar van de plantage. Na de tweede wereldoorlog kwam de plantage in bezit van de familie Karamat Ali.

(Bronnen o.a.: Surinam Heritage Guide; Stadsarchief Amsterdam.)

Jacob van der Burg.

STRAFRECHT EN SLAVERNIJ.

“Zaterdag, den 17 den October 1857.
Gehoord de volgende slaven aankomende plantage Jagtlust, als: 1 Winst, 2.Sanssouci, 3. Ammon, 4. Adriaan, 5. Amsterdam, 6. William terzake der ingebragte klagte door den eigenaar. Op last van den procureur-generaal zijn de slaven Ammon, Amsterdam, Adriaan en William op het piket der justitie ieder met 20 zweepslagen afgestraft, terwijl op uitnodiging van den procureur-generaal een commissie uit de burgermagt der divisie Boven-Suriname zich naar de plantage Jagtlust heeft begeven en aldaar, overeenkomstig de bepaling vervat in alinea 2 van art. 30 der publicatie dd 6 mei, G.B. No 4 namens de procureur-generaal, eenige slaven met zweepslagen heeft afgestraft en de generale slavenmagt haar verplichtingen heeft voorgehouden”.
Die eenige slaven waren er zeven in getal. Dus het geheel kwam op elf. Als reden voor de straf was opgegeven werkweigering. Dit waren ook de enige slaven op Jagtlust waarvan bestraffing vermeld wordt in dat jaar.
Bovenstaande gegevens zijn afkomstig uit het “ Regeringsverslag van beheer en de staat der West-Indische bezittingen en die der kuste van Guinea over 1857”. De keuze voor dit verslagjaar is met opzet gemaakt. Met het besef dat een spoedige afschaffing van de slavernij onontkoombaar was en men de toekomstige vrijen te vriend moest houden, waren er in de vijf voorafgaande jaren nieuwe regels tot stand gekomen. Hierin waren de straffen milder geworden en de eisen aan de slaveneigenaren met betrekking tot een goede behandeling van de slaven strenger. De enige straf die eigenaren zelf mochten toedienen was een slaaf 24 uur opsluiten. Voor andere zaken moest men contact zoeken met Justitie. Soms nam men hier  vrij makkelijk een verhaal van de eigenaar over en werd volstaan met een aantal zweepslagen. In andere gevallen werden een aantal getuigen gehoord en werden naast zweepslagen ook straffen als dwangarbeid en verbanning gegeven.

De straffen in het begin van de kolonie waren beduidend zwaarder.
In het algemeen gold de regel dat bij het stichten van een kolonie de wetten van het thuisland evenzeer in de kolonie moesten gelden. Ten tijde van het begin van de kolonie was er nog geen algemeen geldende rechtspraak in Nederland. Het verschilde van streek tot streek, stad tot stad. Wel waren er een paar algemeen

geldende bronnen van recht. Eén van die bronnen was het Romeins Recht.
Volgens dit recht waren slaven geen personen maar goederen waarover men vrijelijk kon beslissen. Daarnaast is het niet ondenkbaar dat het recht in de beginjaren in Suriname ook sterk is beīnvloed door de rechtspraak aan boord van de schepen van de West-Indische Compagnie, die het vervoer van de slaven verzorgde. Op deze schepen was de kapitein aanklager en rechter tegelijk. Tevens regelde hij de uitvoering van de straf. Een min of meer vergelijkbare functie had in Suriname de Nederlandse  gouverneur. Weliswaar kwamen er uit Nederland bepaalde aanwijzingen, maar de gouverneur had grote vrijheid om zelf regels en straffen te bepalen. Toch was de macht van een gouverneur niet absoluut. Een speciale adviesraad met een grote planters vertegenwoordiging bekritiseerde geregeld de plannen van diverse gouverneurs. Soms werden regels aangepast, maar niet zelden liep een conflict zo hoog op dat een gouverneur met ziekteverlof ging, ontslag nam of vanuit Nederland werd teruggeroepen.

Zoals gezegd, waren de straffen voor slaven in de beginperiode zeer streng. In feite kon een eigenaar naar willekeur beslissen over leven en dood van een slaaf. Het was Gouverneur Van Sommelsdyck (1783-1688) die maatregelen afkondigde om de macht van de slavenhouders enigszins te beperken. Door hem werden de lijfstraffen die de eigenaren op hun slaven mochten toepassen wettelijk beperkt en het doden van een slaaf uitdrukkelijk verboden. Hierbij speelden waarschijnlijk economische motieven een grote rol. Elke slaaf vertegenwoordigde kapitaal. Een dode slaaf was kapitaalverlies. Er bleven genoeg straffen over. Bij slaven die na weglopen weer opgepakt werden, gebeurde het wel dat daarna een been werd afgezet of een achillespees doorgesneden. Zo bleef arbeidskracht gespaard, werd vluchtgevaar verminderd en was de verminkte slaaf een blijvende waarschuwing voor anderen die misschien wilden vluchten.
Parallel aan een geleidelijk versoepeling van de regels werden ook de mogelijkheden tot vrijmaking van slaven verbeterd. Te vaak wordt nog gedacht dat pas in 1863 slaven de vrijheid kregen. In feite was er al veel eerder een grote groep van vrije negers en kleurlingen.
Toch moet er voor gewaakt  worden het slavenbestaan in de 19e eeuw te rooskleurig af te schilderen. In ons verslagjaar 1857 was het nog pas enkele tientallen jaren geleden dat in Paramaribo drie jonge slaven, Codjo, Mentor en Present, wegens brandstichting levend werden verbrand.

JACOB VAN DER BURG

VRIJVERKLAARDE SLAVEN OP JAGTLUST BIJ DE AFSCHAFFING VAN DE SLAVERNIJ.

In een samenwerking tussen de Anton de Kom Universiteit in Suriname en de Universiteit van Nijmegen is men in het voorjaar van 2017 begonnen met het opstarten van een database  van alle slaven uit laatste dertig jaar voor de afschaffing van de slavernij. Met meer dan tweehonderd vrijwilligers, worden scans van talloze handgeschreven formulieren geanalyseerd en de resultaten ingevoerd. Dit alles zal waarschijnlijk begin 2018 voltooid zijn.
Wat wel nu al valt te raadplegen is een database van vrijgemaakte slaven bij de afschaffing van de slavernij (1863). Deze database, het zogenaamde Emancipatieregister, is opgesteld door Okke ten Hove en Heinrich Helstone (te raadplegen via gahetna.nl). Ten tijde van de emancipatie telde Suriname rond 32000 slaven, waarvan 27000 op de plantages en de overigen in de stad.
Hoewel de gegevens over de emancipatie niet per plantage zijn gerangschikt, kan met enige moeite toch aardig wat informatie over Jagtlust naar boven gehaald worden.
Ten tijde van de afschaffing van de slavernij stonden 234 slaven bij Jagtlust geregistreerd. Hiervan verbleven 31 in Paramaribo, sommigen als huisslaaf van eigenaar Barnet-Lyon, anderen in verband met justitiële maatregelen. Sommigen waren wellicht ook uitgeleend aan andere eigenaren.
Op Jagtlust verbleven 203 slaven. De volgende achternamen kwamen op Jagtlust voor, per naam is hierbij aangegeven het aantal personen met die naam.
Besser (2), Blankot (1), Blinkert (3), Bonen (2), Borde (1), Borderel (1), Bosch (1), Brunswijk (1), Castelen (8), Dap (8), Degenschee (4), Dorenberg (1), Duikelaar (2), Duinkert (4), Duisternis (1), Eenling (1), Garo (3), Gondel (1)), Gram (1), Groenhart (4), Groots (1), Hagen (4), Haldorp (1), Herthoven (7), Hoogwater (3), Houtsnee (1), IJdan (1), IJzendop (1), Junkers (7), Kalkrep (1), Kennel (1), Kletter (8), Klomun (1), Koel (1), Krekko (1), Lamper (1), Leeuwin (2), Mar (1), Mazard (5), Meerkom (1), Meikrab (1), Meirak (8), Molensteen (7), Norma (1), Oosterveen (1), Peg (4), Pletter (1), Portman (1), Potal (3), Reukel (1), Rijaard (6), Rolador (4), Rozengaard (7), Schroef (1), Seinpaal (8), Sluizer (6), Sorghart (6), Stean (1), Surgard (1), Traviaat (1), Veen (3), Vluswijk (1), Vonsée (4), Vonske (2), Vrijdom (1), Wan (7), Westmade (1), Westroe (3), Windée (1), Winkelmade (1), Witsman (1), Witstede (4), Wonds (9).

Van een groot aantal slaven, niet allemaal, is de functie of bezigheid vermeld. Mijn verwachting was dat het grootste deel van de slaven in het veld werkzaam zou zijn. Niet logisch achteraf gezien, want op de plantage verbleven vaak hele families met familieleden in alle leeftijden. De oudste slaaf was 72 jaar, de jongste 1 maand. Bovendien moesten er meer functies op de plantage ingevuld worden. Wel vormden de veldwerkers de grootste groep: totaal 61 personen, mannen en vrouwen. De grootste groep daarna, 28 totaal, werd gevormd door kinderen van 0 tot en met 8 jaar. Hun bezigheid werd omschreven als “spelend”.  Verder waren er 20 jongeren van 9 tot en met 22 jaar. Bij hen stond de toevoeging “werkt op steen”. In volgorde daarna werd de grootste groep gevormd door kinderen van 8 en 9 jaar. Deze groep telde 13 kinderen. Hun bezigheid werd omschreven als “in de tuin” Vermoedelijk betekent dit werken in moestuintjes of iets dergelijks. Om op de kleine kinderen te passen waren er 8 creoolmoeders, de oudste 72 jaar. Waarschijnlijk pasten ze ook op de zuigelingen, 8 in getal. Een relatief grote groep (11 ) werd gevormd door de halve (op halve kracht werkende?) merksters. Verder werden onder andere nog de volgende functies genoemd : kostwagter, timmerman, vroedvrouw, officier, bediende, malinker, huismeid, wasmeid, zager en dresneger.
Malinker = neger die door ouderdom of gebreken slechts licht werk kon doen, of helemaal niet tot werken in staat was.
Kostwagter = bewaker/verzorger.
Wat “werkt op steen” precies inhoudt, is me niet duidelijk geworden.
Zoals al eerder gezegd, de vrijgemaakte slaven waren nog verplicht tien jaar onder Staatstoezicht plantagewerk of andere werkzaamheden te verrichten. Het verschil met de periode daarvoor was dat ze nu betaald werden, maar ook voor hun eigen onderhoud moesten zorgen. En wat betreft tucht en disciplinaire maatregelen was het verschil met de slaventijd niet heel erg groot.

Jacob van der Burg.


























HINDOSTAANSE CONTRACTARBEIDERS OP JAGTLUST.

Aangezien de regering in Nederland er weinig vertrouwen in had dat de slaven na tien jaar werken onder Staatstoezicht op de plantages zouden blijven, werd een oplossing gezocht in het werven van arbeiders uit Brits-Indië. Hiertoe werd met het Engelse gouvernement een overeenkomst gesloten met daarin een aantal waarborgen. Na 1873 kwam een grootscheepse immigratie op gang van contractarbeiders die al in Brits-Indië een contract bij lokale wervers (ronselaars) hadden getekend. Op de contracten was de zogenaamde poenale sanctie van toepassing, een regel die al in 1856 in Suriname was ingevoerd toen op kleine schaal Chinese en Javaanse arbeiders aangesteld werden. De poenale sanctie hield in dat op de arbeidsovereenkomst de strafwet van toepassing was. Contractueel  waren de arbeiders verplicht evenveel arbeid te verrichten als de voormalige slaven. Lukte dit niet dan kon men wegens luiheid of verzuim straf verwachten. Ook verlaten van het werk, desertie, werd gestraft. In de oude bepaling was de gezagvoerder van de plantage degene die bepaalde of er straf moest worden toegepast. In 1863 werd dit de districtscommissaris en tien jaar later de kantonrechter. Onder de straffen die toegepast mochten worden vielen ook de lijfstraffen. Wat lichaamsbouw en conditie betreft bleven de Hindostanen achter bij de sterker gebouwde negers. Het niet halen van de arbeidsprestatie was dus geen zeldzaamheid. Ten einde krachtige werkers te verkrijgen, werd met betrekking tot het ronselen bepaald dat bij mannen de gemiddelde leeftijd 22 jaar moest zijn en bij vrouwen 18 jaar. Het contract duurde vijf jaar. Na die periode waren er drie keuzes: een nieuw contract voor vijf jaar, vrije passage terug naar Brits-Indië of het beheer over een eigen stukje landbouwgrond.  Ongeveer een derde van de arbeiders koos voor terugkeer. Aan de komst van Hindostaanse contractarbeiders kwam een eind in 1916 omdat de Britse regering de arbeiders zelf goed kon gebruiken. Ook speelde mogelijk mee dat de Britten nogal wat bezwaren hadden tegen de omstandigheden waaronder de contractarbeiders moesten werken.

Op grond van immigratieregisters en namenklappers is rond 1999 een database tot stand gekomen met gegevens van Hindostaanse contractarbeiders, samengesteld met behulp van studenten van de Surinaamse universiteit. Het overzicht is niet per plantage opgesteld, wel is de plantage opgenomen bij de persoonsgegevens. Vanaf 2010 is de database ondergebracht bij het Nationaal Archief in Nederland. Uit oude gegevens is bekend dat er 34304 Hindostaanse contractarbeiders naar Suriname gekomen zijn. Een aantal documenten is echter verloren gegaan. Van ongeveer 26500 personen konden gegevens verwerkt worden. Daarnaast meldden de samenstellers dat door de haast waarmee de database opgezet moest worden en de hoeveelheid personen die er aan gewerkt hebben, er ongetwijfeld ook fouten opgetreden zijn. Overigens is het eigenlijk fout te spreken over een database van contractarbeiders omdat onder de geregistreerde immigranten ook veel kinderen en zuigelingen waren.

Van 960 Hindostanen op Jagtlust werden gegevens gevonden. Standaard staan o.a. vermeld: naam, geslacht, leeftijd, schip waarmee men was aangekomen, datum van aankomst, datum van contract(en) en soms sterfdatum of terugkeer naar het geboorteland.

De groep bestond uit  mannen en vrouwen in de leeftijd van enkele maanden  tot 45 jaar. Voor ons overzicht is de groep gesplitst in 5 subgroepen. Per subgroep wordt vermeld: aantal personen en percentage t.o.v. de totale groep

0-10 jaar: 97 personen, 10%

11-20 jaar: 228 personen, 24%

21-30 jaar: 568 personen, 59%

31-40 jaar: 60 personen, 6%

41-50 jaar: 7 personen, 1%

De verhouding man/vrouw is 2/1, waarnaar gestreefd werd bij de selectie in Brits-Indië, wordt aardig weerspiegeld in de cijfers. Deze verhouding gaat niet op bij de jongste groep, hetgeen niet onlogisch is. Dit betrof immers kinderen die met hun ouders mee kwamen of onderweg geboren werden. Ook bij de oudste groep ontbreekt deze verhouding. Dit ligt waarschijnlijk aan het kleine aantal personen. Het lijkt overigens aannemelijk dat deze enkelingen mee kwamen met jongeren in familieverband.

Totaal kwam 40% van de mensen in familieverband, 60% alleen.

Overleden tijdens de eerst contractperiode zijn 81 personen. Over de gehele groep is dit een sterfte van ongeveer 9%. Beschouwen we alleen de groep van 0-10 jarigen, overleden 21 kinderen, dan is dit zo rond de 20%.

Soms werd enkel vermeld dat iemand overleden was, maar ontbrak een datum. Deze aantallen zijn niet meegenomen.

202 Mensen zijn weer naar Brits-Indië teruggegaan, dus ongeveer 20%. Hierbij is niet gekeken naar de datum. Dus ook ouderen die later weer teruggegaan zijn, zijn in de cijfers meegenomen. Dit getal ligt lager dan in de literatuur over de gehele groep wordt vermeld. Waar overigens alleen gemeld werd “vertrokken”, zonder plaats van bestemming, is dit niet meegeteld.

Bij sommige personen staan veel meer gegevens vermeld en dat is soms sprekender dan zo’n enkel statistisch overzicht.

Zo was er een jong echtpaar, vertrokken uit Brits-Indië met twee jonge kinderen. Onderweg beviel moeder van een derde kind. Binnen een half jaar overleden in Suriname alle kinderen. Meteen na afloop van het eerste contract reisde men weer terug. Een andere geschiedenis is er van een oudere man. Na enkele maanden werd hij opgenomen in een krankzinnigeninrichting. Drie keer werd hij ontslagen, maar telkens volgde ook weer een opname na een aantal jaren werk. Tenslotte stierf hij in de inrichting (mogelijk door zelfmoord). Maar er zijn ook de succesverhalen van mensen die na afloop van hun contract (of contracten) een stuk land kregen en daar succesvol een landbouwbedrijf begonnen of zich tenslotte in de stad vestigden. Het merendeel van de Hindostanen lijkt die weg te zijn gegaan.

Dit doet overigens naar mijn mening niets af aan de soms zeer moeilijke omstandigheden die men na aankomst in Suriname tegen kwam.

Jacob van der Burg.

MOORD OP PLANTAGE JAGTLUST

Een krantenbericht uit 1891:
“Den 16 den September is op de cacao-plantage Jagtlust een vreeselijke moord gepleegd op de directeur, den heer A.J. Liarons. Deze heer begaf zich ‘s ochtends naar het veld, toen hij dicht bij zijn woonhuis werd aangevallen door een Brits-Indische koelie, die wraak jegens hem koesterde, omdat hij op aanklacht des heeren Liarons was veroordeeld geweest wegens luiheid. De koelie viel den directeur aan, bracht hem eerst met een scherp houwer een slag op handen, rug en hoofd toe en sneed hem toen de romp van het hoofd.”
En op 12-2-1892 werd gemeld:
“Naar wij vernemen is het vonnis van de door het Hof van Justitie onlangs ter dood veroordeelden Brits-Indische immigrant, wegens de door hem op den gezagvoerder van plantage Jagtlust gepleegde moord, door Z. Exc. den Gouverneur, den Raad van Bestuur gehoord, veranderd in 20 jaren dwangarbeid.”
Jaren later meldde de krant dat het de man gelukt was uit detentie te ontsnappen, waarna hij zelfmoord heeft gepleegd. Hij was niet de enige. Moord en zelfmoord kwamen veel voor onder deze groep immigranten, getuige onderstaande ingezonden brief uit 1899:
“Op l.l. Zondagavond zoo lezen wij in De Surinamer van Donderdagavond 17e als nieuws: heeft een koelie op plantage Jagtlust zijn vrouw om het leven gebracht, sedert dien tijd is hij spoorloos verdwenen. En juist nu, een maand geleden, t.w. donderavond den 20e Augustus: Op plantage Jagtlust hebben twee koelies door ophanging een eind aan hun leven gemaakt. Tevoren, zegt men, hadden op die plantage ook enige gevallen van zelfmoord plaats gehad, zonder dat de nieuwsbladen er melding van hadden gemaakt. Ons dunkt de plantage Jagtlust geen gelukkige immigrantenplantage te zijn. Onwillekeurig komen dan vragen in ons op: Zou er geen reden zijn voor deze moord en zelfmoord en ligt het niet op de weg van het Bestuur der kolonie om een streng gerechtelijk onderzoek hier in het werk te doen stellen? We kunnen er slechts in het voorbijgaan op wijzen dat de Agent Generaal der Immigratie en de eigenaar van den plantage Jagtlust in één persoon verenigd is. Misschien kan het volgende, dat mij als feit door iemand op Jagtlust wonende is medegedeeld, den Justitie, Politie of Gouvernement tot leidraad strekken om te weten hoe de vork in de steel zit. Ik hoor n.l. dat de winkelier op Jagtlust een contract met de plantage heeft, dat al de op de plantage aanwezige immigranten verplicht zijn alles wat zij nodig hebben van de winkel en nergens anders van te betrekken. Iemand -de meerderheid der bevolking is koelies- die durft van de stad wat mede te nemen wordt gestraft met confiscatie van zijn goed”.
Hierna ontspon zich in de krant een discussie tussen verschillende personen of het klimaat op Jagtlust wel of niet vriendelijk voor de koelies was.
De algemene tendens was trouwens, los van Jagtlust, dat er strenger tegen de koelies opgetreden moest worden.
In een recent verschenen boek “De nieuwe awatar van slavernij” werpt de Hindostaanse historicus Bhagwanbali een heel ander licht op de moord op directeur van Jagtlust. Beschreven wordt dat veel Hindostanen van hun verdiende loon ook nog een bedrag spaarden. Omdat hen niet was toegestaan zomaar naar Paramaribo af te reizen (om daar het geld bij een bank te storten) gaven ze het in bewaring bij de directeur van de plantage. Toen de arbeiders later om het bedrag vroegen, was het verdwenen. Klachten bij de gouverneur hielpen niet. Deze antwoordde dat de arbeiders maar niet zo dom hadden moeten zijn hun geld bij de directeur in bewaring te geven. Frustratie hierover zou de reden voor de moord zijn geweest.

Jacob van der Burg.