DE OPKOMST VAN EEN GEKLEURDE ELITE IN SURINAME, 1800-1863.

Bovenstaande tekst was de titel van een boeiende lezing die Mevrouw Ellen Neslo vrijdagavond 16 februari hield in het gebouw van vereniging “Ons Suriname” in  Amsterdam. Dit is ook het onderwerp waarop ze in 2016 promoveerde aan de Universiteit Utrecht. Hieronder een kort verslag van haar verhaal, aangevuld met andere gegevens uit haar proefschrift.

Bij een speurtocht naar haar voorouders – Mevrouw Neslo wist dat ze slaven in haar familiegeschiedenis had – deed ze een onverwachte ontdekking. Altijd had ze aangenomen dat haar voorouders pas “vrijgemaakt” waren bij de afschaffing van de slavernij in Suriname (1863). Het bleek echter dat er al rond 1800 familieleden waren die tot de “vrije stand” behoorden. Reden voor haar om zich wat meer in dit onderwerp te gaan verdiepen. Wat ze ontdekte was dat niet alleen de groep van slaven die eerder dan de afschaffing van de slavernij de vrijheid hadden verkregen, groter was dan gedacht, maar ook dat velen van hen tot een gegoede klasse behoorden.

Vaak vervulden ze belangrijke functies binnen de economie van de stad, met name als ambachtslieden en kooplui. Maar er zijn ook voorbeelden van vrijen die door studie het tot hoge posities  brachten, zowel in Suriname als in Nederland. Bovengenoemde zaken waren eigenlijk nauwelijks terug te vinden in eerdere beschrijvingen over de samenleving in Paramaribo.

Aan de hand van individuele voorbeelden, maar ook met statistische gegevens lichtte ze dit verder toe.

Juridisch gezien kende de kolonie Suriname twee typen slaven: privéslaven en plantageslaven. Privéslaven behoorden tot het persoonlijk bezit van een vrij persoon. Plantageslaven behoorden tot het onroerend goed van een plantage. In de kolonie kwamen bovendien ook lands- of gouvernementsslaven voor. Zij waren bezit van de koloniale overheid en voerden werkzaamheden in openbare ruimten uit of werden aan particulieren verhuurd.

In Paramaribo waren slaven over het algemeen huisslaven of verhuurden zij zich als ambachtsman of wasvrouw of verkochten hun waar op markten. Als slaven zich verhuurden voor werk spraken ze met hun meester af dat ze wekelijks een vast bedrag zouden afdragen. Verdienden ze meer, dan konden ze het meerdere houden en bijvoorbeeld sparen voor hun vrijheid. Dit was één van de redenen waarom slaven in de stad meer mogelijkheden hadden zichzelf vrij te kopen. Vaak zag men dat een vrijgekochte man/vrouw zelf één of meer slaven kocht van gespaard geld en daarna door spaarde om de door de overheid geëiste geldelijke bijdrage tot vrijmaking van die slaven bijeen te brengen.

Het onderzoek van mevrouw Neslo betreft de vrije niet-blanke bevolking van Paramaribo.

De vrije niet-blanke bevolking bestond uit verschillende subgroepen. Ten eerst was er de groep van “vrijgelatenen” of “gemanumitteerden”. Zij waren in slavernij geboren en naderhand vrijgemaakt. Voor hen golden, ondanks dat ze vrij waren, verschillende beperkende regels. Een tweede groep vormden de “vrijgeborenen”. Zij waren in vrijheid geboren en hadden dezelfde rechten als de blanken in de kolonie. Binnen genoemde subgroepen maakte de overheid onderscheid tussen kleurlingen en zwarten. Sommige beperkende maatregelen golden niet voor “kleurlingen”.

Dan nog enkele cijfers.

In 1862, kort voor de afschaffing van de slavernij, waren er in totaal 15.510 vrije personen in Paramaribo, waarvan 13.310 vrije niet-blanken (87%). In de stad verbleven toen 5.156 particuliere slaven.

Totaal waren er toen in Suriname rond de 34000 slaven op een bevolking van bijna een half miljoen. (Diverse auteurs geven soms verschillende cijfers).

Eén van de conclusies van Mevrouw Neslo is dat de vrije niet-blanke bevolking van Paramaribo niet lijdzaam de afschaffing van de slavernij heeft afgewacht, maar al voor die tijd een actieve en vooraanstaande rol in de veranderende samenleving heeft gespeeld.

Persoonlijk (jvdb) ben ik beter gaan begrijpen waarom ook ex-slaven soms zelf ook weer slaven hadden. Een feit dat vaak gebruikt wordt in de slavernijdiscussie om de blanken vrij te pleiten. Ik begrijp dat in de meeste gevallen dit een tussenstation was in het traject tot vrij kopen.

N.B. Het proefschrift van mevrouw Neslo bevat uiteraard veel meer materiaal dan hier geschetst en is een aanrader voor iedereen die zich meer in ons koloniale verleden wil verdiepen.

Jacob van der Burg.