EEN HOUTFABRIEK OP JAGTLUST

Kort na de tweede wereldoorlog werd Plantage Jagtlust verkocht aan de gebroeders Karamat Ali. Over de tijd dat de plantage in hun beheer was, was in oude krantenarchieven weinig terug te vinden, behalve dat er in de zeventiger jaren een conflict ontstond tussen de kleine landbouwers op de plantage en de eigenaars. Die strijd eindigde uiteindelijk toen de grond overgenomen werd door de Staat.

Pas onlangs, toen ik een andere manier van zoeken had gehanteerd, vond ik in De Surinamer toch nog wat meer bijzonderheden over de periode dat er op Jagtlust een houtfabriek was.

Het eerste bericht was uit maart 1948:

“Het bekende Zaandamse houtbedrijf William Pont dat zich ook hier in Suriname gevestigd heeft, zetelt tot heden bij Poelepantje en werkt hier in Suriname met ongeveer 100 arbeiders. Wat betreft de vestigingsplaats komt grote verandering. De activa bij Poelepantje zijn verkocht en een gebied van 10 H.A. op Jagtlust is aangekocht. Genoemd bedrijf heeft namelijk het initiatief genomen om een zagerij en een fabriek voor houtbewerking en emballage aan de overkant van de Suriname rivier te beginnen”.

De krant roemt het initiatief, maar heeft wel twijfels over de haalbaarheid. Immers men zit niet meer in de stad en stafpersoneel en arbeiders moeten de rivier over. Het bedrijf is echter optimistisch en denkt aan uitgebreide woningbouw op Jagtlust voor directie en arbeiders. Er wordt zelfs gedacht aan mogelijke stadsuitbreiding, een soort dubbelstad van Paramaribo.

Een jaar later bezoekt nieuwsblad De West het nieuwe bedrijf, Er is veel tot stand gebracht:

“Een flinke steiger, een reuze kraan voor het hijsen der houtblokken enz. trokken onze aandacht. Maandelijks exporteert  De Nieuwe Onderneming tussen de twee en driehonderd ton hout middels de schepen van de K.N.S.M. Achter het vishuis aan de Saramaccastraat heeft men de beschikking gekregen over een terrein, waar een houtmarkt begonnen zal worden. Een moderne kistenfabriek kan alle exporteurs van citrusvruchten met gemak voorzien van de nodige kratten. Op Jagtlust werken 271 arbeiders van Creoolse, Hindostaanse en Indonesische afkomst. Telt men de werknemers, die op kantoor werkzaam zijn en de bosarbeiders op, dan komt men ver boven de driehonderd werkkrachten.”

Maar de economie loopt terug, er komen bezuinigingen en in 1952 wordt melding gemaakt van arbeidsonrust bij de firma en in maart 1954 is er het definitieve einde voor het houtbedrijf:

“De Nieuwe Onderneming te Jagtlust zal gelikwideerd worden ingevolge een besluit van de Raad van Commissarissen van de NV Houthandel Maatschappij voorheen William Pont. De redenen zijn economische en technische moeilijkheden. De firma Bruynzeel heeft een bod gedaan op het bedrijf”.

Op Jagtlust is, ondanks de overname door Bruynzeel, het avontuur voorbij. In oktober 1954 meldt de krant:

“Bij Bruynzeel zijn de fundamenten gestort voor de uitbreiding der vloerenfabriek. Het fabrieksgebouw van de Nieuwe Onderneming zal van Jagtlust overgebracht worden naar Beekhuizen.”

Dus terug de rivier over en voorlopig geen dubbelstad in de Commewijne.

Jacob van der Burg.