GESCHIEDENIS VAN MANUMISSIE (VRIJGEVING) VAN  SLAVEN.

.

Manumissie, het vrijgeven van slaven, gebeurde vermoedelijk al vanaf begin van de kolonie Suriname. Pas in 1733 werd een manumissiereglement van kracht. Aan de procedure van invrijheidstelling waren veel voorwaarden verbonden en eenmaal “vrij” hadden de ex-slaven beslist niet dezelfde rechten als de andere inwoners van Suriname. Zo werden ze gelast “gene de minste stoutheid, moedwil of eenige feitelijkheden aan eenige Blanken te doen, noch gedoogen, dat die door Slaven word gedaan, maar in tegendeel dat zij aan alle Blanken, alle ontzag, eerbied als anderszins moeten bewijzen, met uitdrukkelijke waarschouwing, dat schoon zij in alle andere zaken egaal recht genieten met Vrijgeboornen, zij echter in zulken geval aangemerkt zullen worden als de zulken die het onwaardeerlijke Pand van Vrijheid  aan Blanken verschuldigd zijn.”

De Blanken daarentegen waren gehouden van het reglement geen misbruik te maken, “dewijl hen vrij staat, om wanneer een Vrijgemaakte ergens in misdoet daarover te klagen aan de Overigheid, doch gansch niet om zich zelven te rechten; gelijk hen ook ten scherpste verbooden werd uit baldaadigheid een Vrijgemaakte Slaaf te mishandelen, op straffe van anderszins, als verstoorders van de gemeene Ruste, gestraft te zullen worden.”

Hoewel bovenstaande tekst in theorie bescherming voor de vrijgemaakte slaaf bood, is het de vraag in hoeverre dit in de praktijk ook zo werkte. Hoe verder men weg was van Paramaribo, des te gemakkelijker was het zich niet aan de wet te houden.

Bovendien had een vrijgemaakte nog lang niet dezelfde burgerlijke en staatkundige rechten als andere inwoners. Volgens een reglement uit 1761 waren niet alleen zij, maar ook hun nakomelingen verplicht hun voormalige eigenaar, diens vrouw en kinderen en afstammelingen van deze “alle Eere, Respect ende Reverentie” te bewijzen. Dit hield ook in dat, wanneer een voormalig eigenaar niet meer in zijn levensonderhoud kon voorzien, de vrijgemaakte hier zorg voor moest dragen.

Voor vergrijpen als het slaan of beledigen van zijn voormalige meester of diens vrouw en voor het ten tweede male bijwonen van een slavendanspartij moest de gemanumitteerde in slavernij terugkeren.  

Sexuele omgang met slaven of slavinnen was verboden. Een eerste overtreding werd gestraft met boete, een tweede met lijfstraf en bij een derde keer wachtte weer de slavernij. In 1779 werd het gemanumitteerden verboden zich op wegen, velden en bossen rondom Paramaribo met een schietgeweer te vertonen.

In 1788 werd verordonneerd dat iedere vrijgemaakte slaaf 100 gulden, en iedere vrijgemaakte slavin 50 gulden aan de wegloperskas moest betalen.

In 1804 werd bepaald dat een meester die een slaaf wilde vrijgeven een borg van 2000 gulden moest betalen.

In 1816 werd het aan alle gemanumitteerden verboden zich binnen het eerst jaar van hun vrijheid, buiten de kolonie te begeven.

In feite werden de voorschriften steeds strenger.

Pas in 1850, toen afschaffing van de slavernij onvermijdelijk leek, werden de kosten, verbonden aan manumissie, opgeheven en de formaliteiten vereenvoudigd.

Bron: Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (1914-1917), Herman Daniël Benjamins en Joh. F. Snelleman.

Jacob van der Burg.