CODJO, MENTOR EN PRESENT

Sinds het einde van de vorige eeuw wordt elk jaar op 26 januari de dood op de brandstapel in 1833 herdacht van Codjo, Mentor en Present. Het verhaal over het proces en de terechtstelling zou waarschijnlijk niet zo bekend geworden zijn zonder de inspanningen van Marten Douwes Teenstra, die in die tijd in Suriname verbleef.

Op 26 januari 1833, dus de dag van de terechtstelling, plaatste hij in de Surinaamsche Courant de volgende annonce:

“Berigt van Inteekening: De ondergeteekenden zijn voornemens, wanneer ter bestrijding der kosten, de verlangd wordende exemplaren toereikend zijn, bij inteekening, in het licht te geven:

Bijzonderheden betrekkelijk den brand te Paramaribo, in den nacht van den 3den op den 4den Sept. 1832, en verdere pogingen op verschillende tijden en plaatsen tot brandstichting; gevolgd van den afloop der criminele procedure en sententie tegen de daarin betrokkene aangeklaagden en gedetineerden bij het Geregtshof te Suriname; ene ens den afloop der executie van hetzelfde vonnis.

Zullende de namen der. HH Intekenaren, alphabetisch gerangschikt, voor den authentieke afschriften en bijdragen geplaatst worden, en hier te Paramaribo ( terwijl de lijsten van inteekening nader zullen worden aangeboden), worden het einde der eerstvolgende maand, worden gedrukt en uitgegeven.

Paramaribo, den 26 Januarij 1833

M.D. TEENSTRA

J. BROMET.

NB. -Degenen, welke genegen mogen zijn hiertoe bijdragen te leveren, worden daartoe vriendelijk uitgenodigd.”

Marten Douwes Teenstra, een Groningse boerenzoon, was één van de eerste Nederlanders die de slavernij afkeurde en openlijk schreef over de misstanden in de kolonie Suriname. In eerste instantie was Teenstra in Suriname benoemd tot landbouwadviseur en inspecteur voor bruggen, straten, wegen en waterwerken. Ten  tijde van het proces tegen de brandstichters had hij echter al de functie van assistent van de procureur-generaal in Paramaribo. In die functie had hij toegang tot alle processtukken. En de brochure die hij van plan was te laten verschijnen is ook op beperkte schaal verschenen. Dit zeer tegen de zin van het Gouvernement. Hij werd ontslagen en keerde terug naar Nederland.

In 1842 publiceerde hij het boek “De negerslaven in de kolonie Suriname.” In dit boek was de brochure uit 1833 integraal opgenomen en zo raakte het verhaal over de brandstichting meer bekend.

Het bijzondere van zijn verslag is dat men er duidelijk in kan lezen op welke gronden het Hof de eis van de aanklager (slechts één doodvonnis) om boog naar de uiteindelijke uitspraak (vijf doodvonnissen). De aanklager had alleen een vonnis Twegens brandstichting gevraagd. Het Hof vonniste ook op grond van plannen het gezag in Suriname omver te werpen. Dit deed men naar aanleiding van een passage uit een verhoor van Codjo.

“Nadere examinatoe met den Negerslaaf Cojo, van den 16den November 1832, ten overstaan der Raden Mr. C.A. Marchant en C Gollenstede.

-(Cojo) Verklarende verder, om dan, wanneer zij, na het welgelukken hunner herhaalde pogingen om brand te stichten, het grootste gedeelte der stad in den asch zouden hebben  gelegd, en genoegzaam van wapenen voorzien waren, de Blanken bevechten en trachten zouden zich meester van het land te maken, en wanneer zij de Blanken overwonnen en verjaagd hadden, zich alsdan van alles meester te zullen maken.”

Teenstra vond overigens wel dat negers tot een lager ras behoorden en dat ze bekeerd moesten worden tot het Christendom. Maar deze bekering kon pas plaatsvinden nadat ze vrije mensen waren geworden.

Op grond van het verslag van Teenstra verscheen begin 19e eeuw eerst als feuilleton en laters als boek :“Codjo de brandstichter, oorspronkelijk historisch-romantisch verhaal uit het jaar 1832.” De auteur was pater Henri Rikken, als missionaris in Suriname werkzaam onder de Chinese bevolking van Coronie, Para en Nickerie.

Als basis voor zijn verhaal gebruikte hij de documentatie van Teenstra, maar mengde dit met zeer veel gegevens over land en bevolking van het `Suriname uit de tijd van de grote brand. Veel van de gruwelijkheden, zoals vermeld door Teenstra, verbleken  daardoor wat, zoals blijkt uit enkele passages van een recensie in De Surinamer van 9 september 1905.( N.B. In de oude spelling, ongecorrigeerd)

“Boekbeoordeling. Een nieuw werk over Suriname.

Codjo, de Brandstichter, Historische Roman” enz. door Pater H.F. Rikken CSSR, een nieuw werk mij welwillend “van den Schrijver” aangeboden, heb ik met waar genoegen en, wat de laatste helft ervan betreft in een adem doorgelezen.

‘t Was waarlijk een aangename verpoozing in de eenzaamheid…..Men ziet Paramaribo zooals het toen was, men beweegt zich op de markt en op de straten van dien tijd, verlustigt zich in de soms potsierlijke houdingen en gebaren welke de afwisselende gevoelens van vreugde, van afkeer, van gramschap der joelende menigte vergezellen. Men hoort ze nog spreken gelijk er toen gepraat werd. Daarom, het lijdt geen twijfel, zal het werk met genoegen gelezen worden door de zonen van het land vooral.

Daarenboven heeft Codjo eene voortreffelijke strekking. Toestanden, welke daar geschetst worden, vormen een zeer donkeren achtergrond. Maar de betere levensverhoudingen van thans, steken daarop te gunstiger af. Geen slaafsch, mokkend , op wraakzucht zinnend volk meer, maar een vrij, vredig, voor een deel in eigen onderhoud voorziend geslacht, bij hetwelk zedelijkheid en familieleven althans in opbloei is, heeft de plaats ingenomen van het vroegere…….Merkwaardig mag heeten de verfoeilijke rol; welke door den ouden, vadzigen, dranklustigen Tom, den gifmenger, gespeeld wordt. Bij uitstek vaardig in het debiteren van negerengelschen spreekwoorden, weet hij daardoor de kalmen aan te hitsen, de opgeruiden te bemoedigen, de misdaad, welke ook, te vergoelijken…..

Hij spoort aan tot diefstal, hij ent op een jeugdig slachtoffer de ziekte der melaatscheid. En reedslang gevangen, is hij nog brandstichter, werkend in en door de handen zijner eedgenooten. Met somberen passende kleuren wordt die misdaad afgeschilderd, maar ook evenzoo de gerechtheid der harde straf, welke hier gebiedende eisch was om tot afschrikwekkend voorbeeld te dienen. De beschrijving van den brand en van de terechtstelling is keurig, evenzoo de heele ontknoping van het verhaal…….-“

De gruwelijke kanten van het verhaal over de brandstichters kwamen onverbloemd naar voren in Anton de Koms boek “ Wij slaven van Suriname”, verschenen in de dertiger jaren van de vorige eeuw. De volgende passage is door Anton de Kom geschreven op grond van Teenstra’s notities. N.B. De oorspronkelijk stijl en spelling zijn gehandhaafd.

“Er waren eens, wij schrijven 1832, twee jonge negers. De oudste was 18, de jongste 14. Frederik heette de eene, Codjo de andere. Waarschijnlijk hebben zij vele malen huiverend gestaan voor de muren van het fort Zeelandia, wanneer de smartelijke kreten der getuchtigden klonken.

Zeker hebben zij ook de “Spaansche bok” zien toepassen op de straathoeken van Paramaribo en, evenals die Britsche officieren, geluisterd naar “ those poor wretches suffering torture”. En zeker hebben zij zelve, slaven van hun geboorte, tal van malen ondervonden hoe het aanvoelt wanneer de zweep van den blanken officier de zwarte huid striemt!

Zij waren door hun meester de stad ingezonden om broodjes uit te venten. Codjo had twee en een halven cent te weinig ontvangen en Frederik had op dienzelfden dag acht cent verloren.

Het was de primitieve angst, de angst van een beest dat bang is voor de slagen, die hen weerhield dien avond naar hun meester terug te keeren. Den volgenden dag beseften zij dat hun thans, door het wegblijven, nog strengere straf bedreigde. Zij leefden in het bosch dichtbij Paramaribo en naarmate de tijd vorderde sloten zich bij hen aan nog enkele verworpelingen, eveneens knapen, eveneens bedreigden, die om de één of andere reden de tirannie hunner meesters ontvlucht waren.

Zij leefden in de bosschen, maar deze jonge negers waren geen plantageslaven, opgegroeid in de stad voelden zij zich in de vrije natuur, als vreemden en verstonden de kunst niet zich met haar vruchten en gewassen te voeden. Zij leden  honger. Wanneer de nacht kwam, ondernamen zij ergens in de buitenwijken een strooptocht naar voedsel. Zij leefden in de voortdurende angst ontdekt te worden. Zij werden bespied, opgejaagd, soms moesten zij naar hun bosch terugvluchten zonder iets eetbaars bemachtigd te hebben.

Toen kwam het plan bij hen op brand te stichten en van de verwarring gebruik te maken om zoveel geld en mondkost te stelen dat zij vrij in de bosschen konden leven. Op den 3 den September des avonds elf uur ontstond er brand in één der wijken van Paramaribo. In het samenraapsel van krotten en hutten, dat achter de statige huizen der blanken de toenmalige hoofdstad vormde, vonden de vlammen gretig voedsel. Een behoorlijke brandweer ontbrak. Van een organisatie die de ramp in haar aanvang had kunnen stuiten was geen sprake. In de tijd van weinig uren werd een zeer groot gedeelte van Paramaribo een prooi der vlammen. Waren de jonge negers van de uitwerking hunner eigen daad geschrokken? Was het licht der vlammen te helder geweest om hun oorspronkelijke opzet te kunnen volvoeren? Wij weten slechts dat de premieën die op hun hoofd gesteld werden, niet zonder gevolg zijn gebleven. Enkele dagen na den brand werden de slaven Codjo, Mentor, Present en Frederik gevangen genomen en even daarna ook hun vrienden.

Het Openbaar Ministerie, waargenomen door den Hollander Kanter, eischte dat Codjo zou gehangen worden, het hoofd daarna afgehouwen en tentoongesteld. De andere beschuldigden  zouden gegeeseld en gebrandmerkt worden en voor langeren of korteren tijd in de boeien tot dwangarbeid verwezen.

Het Koloniaal Gerechtshof kon zich met deze strafmaat niet vereenigen. In naam des Konings rechtdoende, veroordeelde het Codjo, Mentor en Present om levend verbrand te worden, Winst en Tom om te worden gehangen, de overigen om in boeien geklonken te worden, gegeeseld en tot levenslangen dwangarbeid gedwongen.

Een weinig fantasie, waarde lezer, om uw gemoed in te denken in die dagen die tusschen  het vonnis en zijn voltrekking verliepen. Een weinig fantasie om u die stampvolle plaats in Paramaribo voor te stellen, waar de geur van gebraden menschenvleesch omhoog steeg. Het is niet gebeurd in de dagen der inquisitie . Het is gebeurd in 1833, kort na van Speyk. In de tijd van Bellamy’s verzen en van het sentimenteele proza.

In dien tijd valt het levend verbranden van drie, het ophangen van twee, het tot levenslangen dwangarbeid veroordeelen van vijf negerjongens, waarvan de meesten den leeftijd van 20 jaar nog niet hadden bereikt.

Ach, het is geen schoone herinnering die wij in onze harten aan deze daad bewaren!”

Tot zover Anton de Kom.

In de vijftiger jaren van de vorige eeuw volgde er nog het toneelstuk “Codjo, Mentor en Present”. Het werd in Paramaribo opgevoerd door de toneelvereniging “Jong en Oud”. Auteur, regisseur en medespeler was Emilio Meinzak. Een aantal jaren had het stuk veel succes. Er was zelfs een meerdaagse tournee door het binnenland en een opvoering op Curaçao. De tekst van het stuk is niet meer terug te vinden, maar waarschijnlijk steunde het meer op Rikkens bewerking dan op de felle aanklacht van Anton de Kom.

Emilio Meinzak was trouwens ook bekend omdat hij een aantal boekjes schreef waarin Surinaamse woorden en zegswijzen in het Nederlands vertaald werden.

Jacob van der Burg.