JAGTLUST NA DE TWEEDE WERELDOORLOG.

Op acht juli 1946 verscheen het volgende bericht in “De West”.
“Morgen, per s.s. Cottica, verlaat ons land voor goed de heer J.T. Reinders Folmer, afgetreden directeur van de plantage Jagtlust.
In 1896 kwam Folmer als jongste opzichter van gemelde plantage hier aan. Het was in den bloeitijd der cacaocultuur en Jagtlust, toen reeds 10-tallen jaren het trotsche familiebezit der Barnet Lyons, stond bovenaan de lijst der Surinaamse cacaoplantages.
In den korte spanne tijds van 3 jaren verloor Jagtlust door den dood 3 harer bekwame directeuren en daardoor kon Folmer ongewoon snel promotie maken. Zeer jong werd hij directeur dezer groote onderneming, die hij lief kreeg, met hart en ziel diende en geen dag verwisselde voor een andere gedurende zijn lang verblijf in Suriname. Een record, dat niet licht gebroken zal worden.
Folmer was een stille in den lande. Planter was hij en wilde hij blijven. De rest, politiek en anderszins interesseerde hem maar matig.
Hij was een goed chef en een goed Kameraad.
Otium cum dignitate zij hem en zijn vrouw toegewenscht.
                                           ………
Een speling van het Lot heeft gewild, dat juist bij dit vertrek, de plantage in andere handen is overgegaan. De Hindostaanse familie Karamat Ali is eigenaar geworden voor f. 70.000-”

De familie Karamat Ali was in Suriname niet onbekend. Zo maakte een Karamat Ali deel uit van de Surinaamse delegatie bij de Rondetafel Conferentie van 1948 over de toekomst van de Nederlandse koloniën. Ook Nederlandse kranten waren in hem geïnteresseerd.
“De heer Karamat Ali is niet, zoals andere delegatieleden een ambtenaar, maar een zakenman. Hij is directeur van een N.V. en exploiteert in Suriname twee bioscopen. Eén daarvan staat in Paramaribo, de andere in het gebied der Bauxietmijnen. Hij is tevens eigenaar van de koffieplantage Jagtlust aan de Commewijne. Welke hervormingen voor Suriname stelt hij voor? De reeks is niet klein. Want er valt in Suriname nu eenmaal veel te verbeteren. Als terreinen noemt hij onderwijs, gezondheidszorg en woningbouw.”

In 1955 kwam Karamat Ali weer in het nieuws.
“Karamat Ali in de branding.
De voorzitter van Kaum Tani Persatuan hekelde de gebroeders Karamat Ali omdat zij op de plantage Jagtlust, waarvan zij de eigenaren zijn, Javanen weg zouden werken ten koste van Hindoestanen.”

Rond 1975 waren er veel problemen tussen de gebroeders Karamat Ali en de kleine landbouwers op de plantage. In een feestelijke bijeenkomst ter ere van het vijfjarig bestaan van de Landbouwersbond Jagtlust, werd teruggeblikt op de tijd.
“11-07-1979. Zaterdagavond hebben de bewoners van de plantage Jagtlust op feestelijke wijze het 5 jarig bestaan van de Landbouwersbond Jagtlust gevierd. In een speciale feestvergadering werd o.a. het woord gevoerd door de voorzitter van de Federatie van Arme Landbouwers(F.A.L.) de heer Malmberg, en een kommissaris van de Bond, de heer S. Paidjan, die tevens als tolk in de Javaanse taal optrad.
De heer Malmberg gaf een kort overzicht van de veelbewogen geschiedenis van de plantage Jagtlust. Rond 1945 werd de plantage gekocht door de familie Karamat Ali en enkele jaren daarna konden de plantagearbeiders op de grond wonen tegen de betaling van een huur van 60 cent per vierkante ketting per jaar. Reeds vanaf 1956 streefden de bewoners van Jagtlust ernaar om de grond in eigendom te krijgen. Ze probeerden dat door drie verschillende regeringen te benaderen om de plantage op te kopen en weer door te verkopen aan de bewoners. Om verschillende redenen bleek deze weg niet haalbaar. De familie Karamat Ali nam ondertussen het initiatief om woonkavels te koop aan te bieden. Toen de bewoners dit aanbod afwezen omdat zij de gevraagde prijs te hoog vonden, begonnen de problemen die uiteindelijk in 1974 leidden tot de poging van de familie Karamat Ali om de huren dan maar drastisch te verhogen. De voorzitter van de F.A.L. konstateerde dat het nog niet bestaan van een landbouwersbond in 1972 duidelijk voelbaar was geweest omdat toen in feite meteen onderhandelingen hadden moeten worden gevoerd om tot een grondprijs te komen die voor beide partijen aanvaardbaar was. Want de bewoners van hun zijde waren bereid de grond te kopen. Rond om de huurverhoging ontstond een strijdsituatie, waarbij de oprichting van de Landbouwersbond op 16 juni 1974 en een grote demonstratie van alle bewoners tegen de huurverhoging de eerste hoogtepunten waren.”

Pas in 2010 kreeg deze geschiedenis een gelukkig vervolg, althans afgaande op krantenberichten.
“Pertjajah Luhur van Paul Somohardjo heeft begin februari, in plaats van het Ministerie van Ruimtelijke ordening, Grond en Beheer(R.G.B.) tijdens de partijbijeenkomst ongeveer 150 bedreigde gezinnen van Jagtlust voorzien van een bereidverklaring. De Regering heeft in 2009 12,5 hectare grond van Jagtlust genaderd. Zij wilde voorkomen dat de vorige grondeigenaren, de gebroeders Karamat Ali, de 150 bedreigde gezinnen, die decennia op de grond hebben gewoond, op straat zouden zetten. Voorouders van hen hadden een huurovereenkomst gesloten met de toenmalige eigenaren om landbouwactiviteiten uit te oefenen. Deze overeenkomsten zijn echter al ruim 10 jaar vervallen. Nakomelingen zijn gebleven op die percelen, zonder een huurovereenkomst met de nieuwe plantage-eigenaren te hebben getekend.
Karamat Ali heeft toen een rechtszaak aanhangig gemaakt om de gezinnen op straat te krijgen, maar de overheid heeft ter voorkoming hiervan genaderd” (onteigend ?).”

Wie heden ten dage op internet naar actueel nieuws over Jagtlust speurt, vindt er advertenties over een ecoproject en gebouwde en te bouwen woningen. Stap voor stap wordt  Jagtlust klaar gemaakt voor woningbouw. Op de sites staan mooie foto’s over de vorderingen. Maar tussen al die plaatjes staan ook foto’s van de gedeelten die nog bouwrijp gemaakt moeten worden. Overgroeide akkers en lange sloten.
En met een beetje fantasie ben je dan terug in de tijd, waarin Jagtlust de nadagen van een langdurig bestaan als echte plantage beleefde.

Jacob van der Burg.