EEN PERSOONLIJK VERHAAL OVER JAGTLUST IN DE TWEEDE WERELDOORLOG.

Kees Heesterman was één van de jongens die na de oorlog vanuit Suriname bij ons in huis kwamen om in Nederland het vervolgonderwijs te bezoeken. De oorlogsjaren had hij met zijn ouders in Paramaribo doorgebracht. Vanuit Canada, waar hij al meer dan een halve eeuw woont, schreef hij over zijn belevenissen met zijn broer op Jagtlust. Hij verontschuldigde zich voor zijn fouten met de Nederlandse taal. Toch heb ik ervoor gekozen zijn originele tekst weer te geven.
“Als je Plantation Jachtlust Googled kun je een foto zien uit 1899 en het was blykbaar een cacao plantage. Maar toen wy daar waren was het allemaal koffie. Ik heb eens gehoord dat de cacao in Suriname verwoest werd door de krullotenziekte. Vlak na het begin van de oorlog werd ons vliegveld in Zandery bewaakt door het US leger. Het was erg strategisch omdat het de kortste vlucht naar het Noord Africa front was. Er waren heel wat Americanen en die betaalden veel meer dan de Surinaamse lonen. Oom Tit vertelde ons dat zyn timmerman na jarenlang daar ineens de plantage verliet. De eigenaar van de plantage was in België zo oom Tit moest alles zelf beheren. Waarschynlyk  door gebrek aan werkkrachten en minder export mogelykheden voor de koffie was er weinig koffie werk te doen. Er was meer werk in de fabriek om ryst te malen en daar hebben wy ook af en toe mee geholpen. By tegenwoordige standards was die fabriek erg gevaarlyk. Dryfriemen zonder bescherming dwars door de fabriek. De stoom machiene was een antiek maar werd slechts af en toe gebruikt. Er was een diesel maar die stopte om negen in de avond zo we hadden geen electrisch licht meer. Oom Tit en tante Ella hadden ook koeien en wel een kleine citrus plantage. Ook heel wat byen kassen en we hebben daar heel wat honing geslingerd.
Piet en ik hebben heel wat rond gevaren in een oude boot. Het was een vry grote boot waarmee koffie vervoerd werd. Met peddles kan je die makkelyk in beweging zetten en sturen omdat er geen wind is. We waren uren bezig om alle vaartrenzen te ontdekken. Het gaf ons een idee hoeveel koffie er vroeger geproduceerd werd. Nu zagen we dat de enorme droogtafels naast de fabriek slechts af en toe gebruikt werden.
Myn ouders kenden de bakker in Paramaribo vry goed. De enige keer dat ik daar was vroeg de bakker of myn vader een aantal zakken meel had afgekeurd om zyn vriend Folmer meer werk te verschaffen met zijn rystmeel. Vader was hoofd van de warenkeuringsdienst en vanwege de oorlog werd er maar af en toe meel geïmporteerd”.

Jacob van der Burg.