STRAFRECHT EN SLAVERNIJ.

“Zaterdag, den 17 den October 1857.
Gehoord de volgende slaven aankomende plantage Jagtlust, als: 1 Winst, 2.Sanssouci, 3. Ammon, 4. Adriaan, 5. Amsterdam, 6. William terzake der ingebragte klagte door den eigenaar. Op last van den procureur-generaal zijn de slaven Ammon, Amsterdam, Adriaan en William op het piket der justitie ieder met 20 zweepslagen afgestraft, terwijl op uitnodiging van den procureur-generaal een commissie uit de burgermagt der divisie Boven-Suriname zich naar de plantage Jagtlust heeft begeven en aldaar, overeenkomstig de bepaling vervat in alinea 2 van art. 30 der publicatie dd 6 mei, G.B. No 4 namens de procureur-generaal, eenige slaven met zweepslagen heeft afgestraft en de generale slavenmagt haar verplichtingen heeft voorgehouden”.
Die eenige slaven waren er zeven in getal. Dus het geheel kwam op elf. Als reden voor de straf was opgegeven werkweigering. Dit waren ook de enige slaven op Jagtlust waarvan bestraffing vermeld wordt in dat jaar.
Bovenstaande gegevens zijn afkomstig uit het “ Regeringsverslag van beheer en de staat der West-Indische bezittingen en die der kuste van Guinea over 1857”. De keuze voor dit verslagjaar is met opzet gemaakt. Met het besef dat een spoedige afschaffing van de slavernij onontkoombaar was en men de toekomstige vrijen te vriend moest houden, waren er in de vijf voorafgaande jaren nieuwe regels tot stand gekomen. Hierin waren de straffen milder geworden en de eisen aan de slaveneigenaren met betrekking tot een goede behandeling van de slaven strenger. De enige straf die eigenaren zelf mochten toedienen was een slaaf 24 uur opsluiten. Voor andere zaken moest men contact zoeken met Justitie. Soms nam men hier  vrij makkelijk een verhaal van de eigenaar over en werd volstaan met een aantal zweepslagen. In andere gevallen werden een aantal getuigen gehoord en werden naast zweepslagen ook straffen als dwangarbeid en verbanning gegeven.

De straffen in het begin van de kolonie waren beduidend zwaarder.
In het algemeen gold de regel dat bij het stichten van een kolonie de wetten van het thuisland evenzeer in de kolonie moesten gelden. Ten tijde van het begin van de kolonie was er nog geen algemeen geldende rechtspraak in Nederland. Het verschilde van streek tot streek, stad tot stad. Wel waren er een paar algemeen

geldende bronnen van recht. Eén van die bronnen was het Romeins Recht.
Volgens dit recht waren slaven geen personen maar goederen waarover men vrijelijk kon beslissen. Daarnaast is het niet ondenkbaar dat het recht in de beginjaren in Suriname ook sterk is beīnvloed door de rechtspraak aan boord van de schepen van de West-Indische Compagnie, die het vervoer van de slaven verzorgde. Op deze schepen was de kapitein aanklager en rechter tegelijk. Tevens regelde hij de uitvoering van de straf. Een min of meer vergelijkbare functie had in Suriname de Nederlandse  gouverneur. Weliswaar kwamen er uit Nederland bepaalde aanwijzingen, maar de gouverneur had grote vrijheid om zelf regels en straffen te bepalen. Toch was de macht van een gouverneur niet absoluut. Een speciale adviesraad met een grote planters vertegenwoordiging bekritiseerde geregeld de plannen van diverse gouverneurs. Soms werden regels aangepast, maar niet zelden liep een conflict zo hoog op dat een gouverneur met ziekteverlof ging, ontslag nam of vanuit Nederland werd teruggeroepen.

Zoals gezegd, waren de straffen voor slaven in de beginperiode zeer streng. In feite kon een eigenaar naar willekeur beslissen over leven en dood van een slaaf. Het was Gouverneur Van Sommelsdyck (1783-1688) die maatregelen afkondigde om de macht van de slavenhouders enigszins te beperken. Door hem werden de lijfstraffen die de eigenaren op hun slaven mochten toepassen wettelijk beperkt en het doden van een slaaf uitdrukkelijk verboden. Hierbij speelden waarschijnlijk economische motieven een grote rol. Elke slaaf vertegenwoordigde kapitaal. Een dode slaaf was kapitaalverlies. Er bleven genoeg straffen over. Bij slaven die na weglopen weer opgepakt werden, gebeurde het wel dat daarna een been werd afgezet of een achillespees doorgesneden. Zo bleef arbeidskracht gespaard, werd vluchtgevaar verminderd en was de verminkte slaaf een blijvende waarschuwing voor anderen die misschien wilden vluchten.
Parallel aan een geleidelijk versoepeling van de regels werden ook de mogelijkheden tot vrijmaking van slaven verbeterd. Te vaak wordt nog gedacht dat pas in 1863 slaven de vrijheid kregen. In feite was er al veel eerder een grote groep van vrije negers en kleurlingen.
Toch moet er voor gewaakt  worden het slavenbestaan in de 19e eeuw te rooskleurig af te schilderen. In ons verslagjaar 1857 was het nog pas enkele tientallen jaren geleden dat in Paramaribo drie jonge slaven, Codjo, Mentor en Present, wegens brandstichting levend werden verbrand.

JACOB VAN DER BURG