DE OUDSTE GESCHIEDENIS VAN PLANTAGE JAGTLUST.

Met de bouw van Fort Nieuw Amsterdam tussen 1734 en 1747 bij de samenstroom en mondingen van de Commewijne en de Surinamerivier kreeg de benedenloop van de Surinamerivier een betere bescherming tegen indringers. Er werden initiatieven genomen om plantages in cultuur te brengen. Zo ontstond onder andere Jagtlust. Deze plantage werd omstreeks 1735 aangelegd door Frederik Berewout, onder meer bevelhebber van de West-Indische Compagnie. Er kwamen later uitbreidingen bij en zo ontstond uiteindelijk een plantage van 2.000 akkers. In 1777 verhypothekeerde Berewout zijn gehele bezit bij het negociatiefonds onder Pieter Biesterbosch te Amsterdam. Na tien jaar was deze hypotheek bij lange na nog niet afgelost en het fonds nam de plantages in eigendom. In 1793 werd cacao en katoen verbouwd. De plantage werd in 1818 verkocht aan de beheerder, de administrateur George Nicolas Linck uit Hamburg. De plantage kende verschillende administrateurs of beheerders. In 1826 kwam Jagtlust door vererving in bezit van Johanna Charlotta Vogt. Zeker tot 1846 bleef deze in de familie. Via verschillende beheerders kwam Jagtlust uiteindelijk in bezit van de heer Barnet-Lyon. Bij de emancipatie van 1863 kregen slaven de vrijheid. Barnet-Lyon kreeg vergoeding voor 192 slaven. Tussen 1874 en 1929 zijn door George Barnet-Lyon en zijn erfgenamen 1061 Brits-Indische en 793 Javaanse contractarbeiders aangenomen om de plantage te kunnen voortzetten. In 1891 werd de toenmalige directeur door een opstandige Hindostaanse werknemer vermoord. Aan het einde van de negentiende eeuw was Jagtlust nog de grootste cacaoproducent van Suriname. Door diverse oorzaken liep de cacaoteelt terug. Overschakeling op koffie bracht weer nieuwe welvaart. Na het overlijden van Barnet-Lyon bleven zijn erfgenamen zeker tot 1938 eigenaar van de plantage. Na de tweede wereldoorlog kwam de plantage in bezit van de familie Karamat Ali.

(Bronnen o.a.: Surinam Heritage Guide; Stadsarchief Amsterdam.)

Jacob van der Burg.