HOOFDLIJNEN GESCHIEDENIS KOLONIE SURINAME.

Bij de vrede van Breda in 1667 ruilde Nederland het toekomstig New York voor Suriname. Suriname was 17 jaar eerder door de Engelsen in bezit genomen en er had zich al een aardig aantal plantages gevestigd. Toen de Britten vertrokken kwam aan deze bloei een einde omdat zij ook een aantal slaven met zich meenamen. Met massale import van zwarte Afrikanen, een handel waar men al flink veel ervaring mee had, lukte het weer een redelijke  arbeidsmacht op te zetten. Pogingen met Indianen en tuchthuisboeven uit Nederland waren geen succes. Indianen waren fysiek niet sterk genoeg, de tuchthuisboeven te onbetrouwbaar en opstandig. Geleidelijk kwamen er steeds meer plantages. Nadat Zeeland de eerste 15 jaar eigenaar was geweest, werd daarna het beheer overgedragen aan de Sociëteit van Suriname, een samenwerkingsverband van de WIC, de stad Amsterdam en de Amsterdamse familie Van Sommelsdijck. In de kolonie Suriname zelf lag de hoogste macht bij de gouverneur. Deze werd bijgestaan door raden, die zich o.a. bezig hielden met civiel- en strafrecht. In deze raden zaten voornamelijk planters. Hun belangen waren niet altijd met de belangen van het Nederlands gezag in overeenstemming. De geschiedenis van Suriname is dan ook doortrokken van conflicten tussen die raden en de gouverneurs. Deze laatsten wisselden elkaar in hoog tempo af. Een andere nog belangrijkere strijd is die welke gevoerd werd tegen weggelopen slaven (marrons), die zich gevestigd hadden in de bossen. In een soort verdeel en heers methode werden deelovereenkomsten gesloten en voor bepaalde groepen werd kwijtschelding van straf of zelfs vrijheid beloofd.

Deze situatie verbeterde iets toen na de afschaffing van de slavenhandel het wel duidelijk werd dat afschaffing van de slavernij onontkoombaar was. Toen dat in Suriname eindelijk geschiedde (1863) werd in eerste instantie geprobeerd het arbeidsverlies op te vangen door vrijgemaakten te verplichten nog tien jaar op de plantages te blijven werken. Na de periode van tien jaar verlieten de ex-slaven in groten getale de plantages. Hun vertrek werd opgevangen door grootschalige import van contractarbeiders uit Brits-indië en later door import van Javanen uit Nederlands-Indië. Het beheer over Suriname lag inmiddels al lang niet meer bij de Sociëteit (opgeheven bij de komst van de Bataafse Republiek), maar bij de Nederlandse regering zelf.

Langzamerhand brak rond 1900 het einde voor de plantagecultuur aan. Steeds meer plantages werden opgedeeld in kleinere percelen, waar ex-contractarbeiders, maar ook latere immigranten hun eigen gewassen verbouwden.

Jacob van der Burg