EEN MISLUKTE STAATSGREEP IN DE KOLONIE SURINAME

Paramaribo, voorjaar 1911:

“Hoe zorgwekkend de toestand in Suriname is, blijkt uit de volgende punten.

1e Met de hygiëne is het slecht gesteld. De drinkwaterverschaffing is onvoldoende en het ontbreekt aan publieke toiletten. Onbebouwde panden worden verwaarloosd.

2e De regering is te luxe gehuisvest. Er zijn teveel overbodige departementen, die gemakkelijk samengevoegd zouden kunnen worden.

3e De economie is veel te eenzijdig. Alleen cacao en bananen worden geteeld. De regering moet ook het telen van andere gewassen bevorderen.

4e Het politiekorps moet hervormd worden. Er zijn teveel bekwame mensen in de lagere rangen, die geen promotie kunnen maken.

5e De immigranten worden slecht behandeld.

6e Veel regeringsfunctionarissen zijn corrupt en volstrekt onbekwaam.

7e Alles is veel te duur.”

Met woorden van deze strekking rechtvaardigde politie-inspecteur Frans Killinger in 1911 voor de Rechtbank te Paramaribo zijn plan tot het plegen van een staatsgreep.

In de Rechtbank puilde de publieke tribune uit van de toeschouwers en buiten scandeerden nog eens een veelvoud van mensen zijn naam bij zijn aankomst of vertrek. Met een zwierig gebaar groette de altijd perfect geklede Killinger dan de massa

Bij het woord staatsgreep zullen niet veel mensen in Suriname denken aan het jaartal 1910. Toch werd, dankzij de man in het wit op bijstaande foto, het nieuws in de kranten van 1910 en 1911 voor een groot deel beheerst door de bijzondere geschiedenis rond een geplande, maar bij voorbaat al mislukte staatsgreep.

Frans Killinger was van oorsprong een Hongaars onderdaan, met kennelijk een grote hang naar avontuur. Hij nam dienst in het Hongaars-Oostenrijkse leger, maar werd daaruit ontslagen na een verkeerd afgelopen schietincident. Belust op avontuur probeerde hij mee te gaan strijden in de Boerenoorlog in Zuid-Afrika. Toen dit niet lukte verlegde hij zijn pad naar Nederland. In Harderwijk solliciteerde hij naar een plek in het KNIL om in Nederlands Indië dienst te doen. Ook hier werd hij niet aangenomen, maar wel bood men hem een plaats bij het Surinaamse politiekorps aan. Rond 1900 kwam hij in Suriname aan. Binnen het politiekorps vielen zijn goede kwaliteiten op en maakte hij snel carrière. Na een lange verlofperiode in Europa, kwam hij begin 1910 weer in Suriname. En het duurde niet lang of er begon zich een bijzondere geschiedenis te ontvouwen, die in beginsel meer leek op een klucht, maar allengs toch een ernstiger karakter kreeg.

Het eerste signaal dat er iets mis was met Killinger, was een melding van een oud-agent Jacob Schoonhoven. Deze was door Killinger benaderd met het verhaal dat hij op verzoek van de Procureur-Generaal er voor moest zorgen dat een hoeveelheid munitie van elders in Suriname ingevoerd kon worden. Het verhaal kwam Schoonhoven vreemd voor en hij liep te piekeren wat hij daarmee aan moest. Op straat trof hij Pastoor Joannes van der Walle van de Bonifaciuskerk. Hem vertelde hij zijn verhaal en deze geestelijke adviseerde zo spoedig mogelijk de Procureur-Generaal in te lichten. Justitie besloot de gangen van Killinger na te gaan. Het bleek dat hij, vooral ‘s nachts, met verschillende personen beraadslagingen voerde. Ook werd hij, weer in de nacht, gesignaleerd op strategische plekken waar hij militairen aansprak die op wacht stonden. Op grond van deze signalen werd Killinger in hechtenis genomen en uitgebreid verhoord. De informatie, hierbij verkregen, was reden tot de arrestatie van nog zes andere personen. Er leek genoeg reden om een gerechtelijk onderzoek te starten, wat uit zou kunnen monden in een proces. In de periode van detentie kwam stukje bij beetje het hele verhaal aan de oppervlakte. Vrij vlot kwam er een “bekentenis” van Killingers kant. Hij  verhaalde dat, gezien de miserabele toestand van Suriname, hij zich geroepen voelde een omwenteling tot stand te brengen.

In een overzichtsartikel van december 2017, schrijft Het Historisch Nieuwsblad hierover:

“Killingers coup had plaats moeten hebben in de nacht van 25 op 26 mei 1910. Hij zou dan zelf de hoogste in rang zijn op het politiebureau en makkelijk bij de wapens kunnen, voornamelijk revolvers. Die wilde hij uitdelen aan de mannen met wie hij enkele keren bijeen was geweest om zijn plannen door te spreken en ook enkele anderen zouden wapens ontvangen. Killinger was ervan overtuigd dat verschillende agenten op het bureau zich spontaan bij de revolte zouden aansluiten. Zijn handlangers moesten  ervoor zorgen dat enkele tientallen geronselde burgers op straat klaar zouden staan. Deze moesten dan bewapend worden met knotsen, vervaardigd door de timmerman Marius Breedveld. Aldus gewapend dienden Killingers troepen uit te zwermen naar Fort Zeelandia, de gouverneurswoning, het telegraafkantoor en nog enkele strategische plaatsen. Bij het fort wachtte de riskantste operatie. Daar zouden de wachtposten met dekens over hun hoofd overmeesterd moeten worden. Vervolgens dienden de slapende troepen in de kazerne, een kleine 150 man, op de bovenverdieping te worden ingesloten. Dat kon door de houten trappen – ladders eigenlijk – weg te halen. De gijzeling hoefde maar even te duren. Killinger wilde de soldaten onmiddellijk toespreken in de overtuiging dat ze zich dan wel bij hem zouden aansluiten.”

Uiteindelijk lag het in de bedoeling van Killinger de kolonie Suriname om te vormen tot een republiek.

Het naïeve en amateuristische van de hele operatie blijkt nog eens uit een artikel in het blad Van Stad en Land, van 10 juni 1910. waarin de vervaardiger van de knotsen zijn verhaal komt doen.

“Gisteren vervoegde zich bij ons Marius Breeveld, de timmerman die de beruchte knotsen voor het complot van Killinger vervaardigd had.  Breeveld beklaagt zich dat hij het slachtoffer is van een ongelukkigen samenloop van omstandigheden. Hij had, vertelde hij, geregeld werk, nu eens als knecht in dienst van een aannemer, dan weer aan karweitjes. Op den morgen van den 11den Mei tusschen 9 en 10 van een karweitje komende, werd hij op eens gepraaid door Ch. A. Deze vroeg hem wanneer hij tijd zou hebben om bij hem (A) aan te loopen daar hij werk voor hem had. B. antwoordde dat hij van de week nog bezet was, maar dat hij Maandag in de avond zou aanloopen. Reeds den volgenden dag ontving Breeveld bezoek van A., die hem geld gaf om sparren te koopen, met een model van de te vervaardigen stokken. Deze moesten den 17den Mei geleverd worden. Breeveld beweert dat hij niet gevraagd heeft waartoe die ruwe stokken moesten dienen. Toen hij het grootste deel van de stokken af had, ging hij naar plantage Zoelen waar zijn vrouw bij hare zieke moeder was. Intusschen was A. hem, naar hij vernam, gedurende zijn afwezigheid verscheidene keeren komen opzoeken zonder hem aan te treffen. B. bleef maar één dag op plantage. De avond van zijn terugkeer in de stad kwam A. weer bij hem en deelde hem mede dat die stokken voor een complot bestemd waren, doch dat dat ontdekt was door de schuld van zekeren S. Hij verzocht Breeveld daarom die stokken goed te verbergen. Deze verklaarde zich bereid daartoe en begroef, als bekend, de stokken op het erf van zijn moeder. Toen A. later met de politie bij hem kwam om naar de stokken te vragen, is hij ze onmiddellijk weer gaan opgraven. Hij werd 24 uren door de politie in bewaring gehouden en toen weer op vrije voeten gesteld. Ten huize van zijn schoonmoeder op Zoelen werd huiszoeking gedaan. Breeveld zegt dat hij van het complot niets afwist, niet wist voor welk doel hij de stokken moest vervaardigen, nooit eene vergadering der samenzweerders had bijgewoond.”

Tot zover het krantenbericht.

Na een lange voorbereiding startte uiteindelijk op 13 maart 1911 het proces tegen Killinger en 6 andere  verdachten. Er werden door de zes verschillende verklaringen afgelegd, waarbij de verdediging zijn best deed voor ieder van hen hun rol minder belangrijk te maken. Alleen Killinger legde een volledige bekentenis af en verklaarde zelf de volledige verantwoordelijkheid voor de  geplande operatie te dragen. De rechtbank ging hier niet in mee en vonniste uiteindelijk alle zeven mannen gelijkelijk.

Dagblad de Surinamer deed hier op 4 april 1911 uitgebreid verslag van:

“Het Hof achtte alle beklaagden schuldig aan het misdrijf; samenspanning die verandering der regeering ten doel heeft en veroordeelt ze tot de straffe des doods, uit te voeren binnen Paramaribo, en in de hoofdelijke kosten van het geding. Voorts gelast het vernietiging der bewijsstukken.
Met bewogen stem werd dit vonnis door den President voorgelezen. Nog steeds ontroerd hield ZHEdGest, ongeveer de volgende toespraak tot de veroordeelden : ‘Het doet mij leedt op den avond van mijne carrière nog een zoodanig vonnis te moeten uitspreken. Het is de gehoorzaamheid aan de wet die mij noodzaakte haar uit te spreken. Het is ons, in dit geval niet gegeven op verzachtende omtstandigheden te letten. Wij hebben ons te onderwerpen aan de strafbepalingen der wet. Wij hopen echter dat deze straf moge verzacht worden. Ik wil u den weg wijzen, om dit te bereiken. Uwen rechters konden niet anders doen, dan de doodstraf uitspreken. Er is echter een anderen weg open. Hier nabij, op het Plein, is er een, de vertegenwoordiger van H. M., onze geëerbiedigde Koningin, die het heft in handen heeft. Raadpleeg uwe verdedigers, die, ik twijfel er niet aan, waar zij reeds om u zulk een zwaren arbeid hebben verricht, nu ook aan uw verlangen gevolg zullen geven. De Gouverneur kan zonder te letten op de wet, enkel en alleen uit clementie handelen. De P. G. deed reeds de toezegging in zijn requisitoir, dat mocht gij tot deze straf veroordeeld worden, hij medewerken wil, om verzachting daarvan te verkrijgen.’

Hierna werd de zitting gesloten. Nogmaals ontblooten wij eerbiedig het hoofd voor den grijzen President, die weer getoond heeft een hoog en nobel menschelijk hart te bezitten. Zonder twijfel zal door den Gouverneur de hardheid der verouderde wet gecorrigeerd en het doodvonnis in gevangenisstraf gewijzigd worden”.

Tot zover de krant.

Zoals verwacht corrigeerde de Gouverneur het vonnis, hierbij gesteund door het feit dat de strafwetten in Suriname ver achter liepen bij die van het moederland. In Nederland, waar de doodstraf allang was afgeschaft, zou Killingers misdrijf waarschijnlijk met niet meer dan vijf jaar gevangenis bestraft  zijn. Killinger werd uiteindelijk veroordeeld tot 5 jaar dwangarbeid. De anderen kregen lichtere straffen. Onmiddellijk na het vonnis werd Killinger op de boot naar Nederland gezet om daar zijn gevangenisstraf (zonder dwangarbeid!) uit te zitten. Waarschijnlijk waren zowel de lage straf als de deportatie naar Nederland mede ingegeven door de angst dat een andere uitkomst hem in Suriname tot een martelaar gemaakt zou hebben. Vrij spoedig na afloop van het proces keerde de rust terug onder het deel van de bevolking dat zich aanhanger van Killinger had getoond.

Het zou twintig jaar duren voor een andere leider, genaamd Anton de Kom, in staat bleek om een grote ontevreden massa op de been te brengen.

Killinger werd na drieënhalf jaar vrijgelaten wegens goed gedrag. Zijn zucht naar avontuur was niet minder geworden. Hij werd soldaat in het Turkse leger en vocht mee in de Eerste Wereldoorlog. In Turkije bekeerde hij zich tot de Islam en koos als nieuwe naam Mohammed Tewfiq Killinger. En ook in Turkije vond hij in 1936 uiteindelijk zijn laatste rustplaats.

Jacob van der Burg