DE GESCHIEDENIS VAN MEERZORG, ZOALS BESCHREVEN IN OUDE KRANTENBERICHTEN, DEEL 1 (1915-1940).

Wanneer je via de Wijdenboschbrug Paramaribo verlaat, lijkt de overkant wel een buitenwijk van Paramaribo te zijn, niet veel verschillend van andere buitenwijken van de stad.

In het begin van de vorige eeuw was de situatie geheel anders. Plantage Meerzorg leed een armoedig bestaan o.a. door oplopende schulden ten gevolge van tegenvallende oogsten en ziekten van het gewas. De plantage dreigde failliet te gaan. Het was dan ook een uitkomst dat het Gouvernement in 1915 besloot tot aankoop over te gaan. De plantage werd gekocht voor een bedrag van 11500 gulden plus de vorderingen die de kolonie had op de plantage-eigenaren, bestaande uit een schuld bij het immigratiefonds en een achterstand in te betalen grondrente.

Het bezit van Meerzorg, met zijn ligging tegenover de stad, bood het Gouvernement vele voordelen. De plantage leek bij uitstek geschikt voor de vestiging van kleine landbouwers om hun producten in de stad te verkopen. Ook voor de eventuele stichting van een kolonie voor landbouwleerlingen én voor het bouwen van nieuwe woningen t.b.v. een stadsuitbreiding. In Paramaribo zelf waren nauwelijks nog terreinen beschikbaar, waardoor ook het oprichten van fabrieken daar belemmerd werd.

Op het Zand, een terrein achter de eigenlijke plantage, woonden in die tijd al rond de 430 mensen, met tezamen 500 koeien. Daarnaast waren al 213 percelen in huur uitgegeven aan kleinlandbouwers met een gezamenlijke lengte van 259 kettingen. Ook was er nog een ingepolderd gedeelte van 500 hectare met een concessie van 1250 hectare.  Op het terrein waren tal van gebouwen, merendeels in goede staat: een directeurswoning, verschillende opzichterswoningen, twee hospitalen, immigrantenwoningen (360 kamers) een winkelgebouw, twee sluizen en diverse waterreservoirs. Tenslotte was er nog een cultuurterrein van 110 hectare met o.a koffie en bacoven.

Vlak na de overname aarzelde het Gouvernement nog met een definitieve invulling van het nieuwe bezit. Een aanvraag om een landbouwschool voor kleine landbouw op te richten werd uiteindelijk afgewezen, met als reden dat Meerzorg een gebied met veel malaria was. Verder werd de afbraak van twee blokken immigrantenwoningen en de opbouw in de cultuurtuin aanbesteed.

Na enige tijd werd gestart met een uitgifte van landjes op beperkte schaal in een recent ingepolderd gebied. De voorwaarden hiertoe voor de huurders waren verre van optimaal. Bepaald werd dat het Gouvernement op elk tijdstip, zonder compensatie, de grond terug kon nemen. Ook zou de regering slechts voor zes jaar de zorg voor de polder als geheel (afwatering, wegen etc.) op zich nemen. Daarna moest men het verder zelf doen.

Inwoners van Paramaribo interesseerden zich niet al te veel voor wat er zich afspeelde op de verkavelde plantage. Dat was tenminste de trend van een in 1929 verschenen artikel in de Surinamer.

“De gemiddelde stadsbewoner, die op zijn wandeling langs den Waterkant de veerboot naar Meerzorg ziet bij de Plattebrug, gelooft graag, dat er aan de overzijde van de rivier, achter het bosch dat hij ziet, een negorijtje moet liggen, waar een stuk of wat koeien gehouden worden door een aantal Britsch-Indiërs. Hij krijgt immers melk van een Britsch-lndischen leverancier, die vertelde op Ansoe te  wonen. Zijn buurman krijgt ook al melk van denzélfden leverancier. En onder zijn kennissen zijn er verder, die melk krijgen van Ansoe. En in de krant is er ook al eens gesproken van de melkleveranciers op Ansoe. Zijn aardrijkskundige kennis van eigen land is waarschijnlijk ruim genoeg om te weten, dat Ansoe de Negerengelsche naam is voor Meerzorg; en als hij ook historische kennis heeft, weet hij dat de naam Ansoe wordt beschouwd als een verbastering van den naam Amsinck, waarnaar de laatste eigenaren van deze voormalige suikerplantage luisterden. Hij gelooft dus, dat er iets moet zijn, al ziet hij er van den Waterkant niets van. Daarmee houdt dan echter gewoonlijk zijn kennis van Meerzorg geheel op”.

Aanleiding voor bovengenoemde bespiegelingen was het feit dat Gouverneur Rutgers de Surinaamse pers had uitgenodigd met hem op inspectiebezoek te gaan bij enkele vestigingsplaatsen aan de overkant, waaronder Meerzorg.

De gouverneur had zo zijn redenen om aandacht voor het gebied te vragen. In het begin van de vorige eeuw had het Gouvernement verscheidene plantages, die failliet dreigden te gaan, overgenomen en er vestigingsplaatsen van gemaakt. Zoals bekend konden voormalige contractarbeiders hier de beschikking krijgen over een stukje grond om in hun onderhoud te voorzien met wat men noemde de kleine landbouw. De stukjes waren zo bemeten dat men er eigenlijk niet mee rond kon komen. Reden hiervan was dat er een prikkel moest blijven om op afspraak toch nog werkzaamheden op overgebleven plantagegrond te verrichten t.b.v. de eigenaren. Gouverneur Rutgers, in tegenstelling tot zijn latere opvolger, was er voorstander van om op deze wijze ook verschillende bevolkingsgroepen te laten integreren. Zijn opvolger Kielstra beoogde later de zaak zo te sturen dat juist aparte groepen bleven bestaan. Hij was de man die puur Javaanse nederzettingen nastreefde naar het dessamodel.

Aandacht voor de “overkant” was ook belangrijk uit andere overwegingen. Door de verbeterde veerdienst die weldra zou starten lag een verbeterde afzetmarkt voor de kleine landbouwers open. Tevens zouden er vanuit Paramaribo meer initiatieven in het gebied ontplooid kunnen worden. En ook (geringe) toeristische activiteiten waren niet ondenkbaar.

Meerzorg had in die tijd een bevolking van twee à drieduizend zielen, merendeel Hindostanen, met als tweede grote groep de Javanen. Landbouw en veeteelt waren de voornaamste bron van inkomsten. Er was een verscheidenheid aan landbouwprodukten: rijst, koffie , suiker, aardvruchten, bananen en bacoven. De bosbouw was aanzienlijk en er was een veestapel van runderen, waarmee Meerzorg de voornaamste melkproducent was. Door de ligging vlakbij Paramaribo waren er goede afzetmogelijkheden, zeker in vergelijking met verderaf gelegen plantages.

Toen eind 1931 het nieuwe veer Paramaribo-Meerzorg geopend werd, kwamen er in het begin vele nieuwsgierigen een kijkje nemen. Er waren regelmatig concerten van  de Militaire kapel en er kwam een verkooppunt voor drank op die muziekmiddagen.

Toch kwamen er barsten in dit rooskleurige beeld. Vrij vlot was het nieuwe er af en werden die concerten gestopt.

Maar belangrijker was het feit dat de kleine landbouwers, ondanks de ontsluiting, lang niet altijd in staat bleken aan hun financiële verplichtingen te voldoen. Het wegenplan aan de overkant moest fiks uitgebreid worden en lang niet altijd was duidelijk wie hiervoor moest opdraaien. Het kwam voor dat de kleine landbouwers zonder vergoeding dagenlang moesten meehelpen met wegenaanleg en onderhoud. Dit ging ten koste van zorg voor de gewassen en gaf dus minder productie. Ook lokten de onderhoudswerkzaamheden aan het Saramaccakanaal veel landbouwers weg van hun grond. Weliswaar werden ze hier goed betaald, maar veel tijd om hun “tuintje” te verzorgen was er niet meer. Geregeld  werd er in de krant gemopperd over slechte wegen, gebrek aan elektriciteit en haperende watervoorziening. Toen begin jaren dertig Anton de Kom naar Suriname kwam, vonden de landbouwers bij hem een luisterend oor voor hun klachten. Massaal vonden ze de weg naar zijn kantoortje in Paramaribo. De overheid, bang voor wanorde, nam de Kom gevangen. In het oproer dat hierna ontstond vielen, naast veel gewonden ook enkele dodelijke slachtoffers, waaronder Cyriel Maurice, kleine landbouwer uit Meerzorg. Geschrokken trokken de demonstranten zich terug en gingen weer naar hun gronden. Maar de ontevredenheid bleef en de kleine landbouwers verenigden zich in een bond. Men was ontevreden over de districscommissaris en de opzichter voor de kleine landbouw. Er werd voor gepleit deze bestuursvorm op te heffen en rechtstreeks bij Paramaribo ingedeeld te worden.

Toch kwamen er geleidelijk, onderbroken door de tweede wereldoorlog, meer voorzieningen tot stand.

Jacob van der Burg