JAVAANSE CONTRACTARBEIDERS OP JAGTLUST

.

Tussen 1890 en 1939 kwamen ruim 33.000 Javaanse immigranten naar Suriname. Hoofdreden voor hun komst was de stagnatie in de aanvoer van Hindostanen. Omdat zij altijd Engelse onderdanen waren gebleven, had dit land bepaalde eisen gesteld met betrekking tot de werkomstandigheden. Toen de zorg naar de mening van de Engelse regering te kort schoot was er al eens een tijdelijke stop afgekondigd. Later werd, ook omdat Engeland de arbeiders zelf goed kon gebruiken, definitief een eind aan de Hindostaanse immigratie op contractbasis gemaakt.
Voordeel voor de Nederlandse regering was dat over de werkomstandigheden van de Javanen met  niemand onderhandeld hoefde te worden. Aan hun arbeidsomstandigheden werden minder eisen gesteld. Nadeel van de Javanen was dat veel van hen niet ingesteld waren op de zware landarbeid. Voor het gouvernement een reden om wat leeftijd betreft vooral naar jonge mensen te streven.
De Javanen werden op 27 plantages te werk gesteld. Na afloop van een eerste contract hadden ze de keuze om een nieuw contract te sluiten, op kosten van Nederland naar Nederlands-Indië terug te gaan, of in Suriname te blijven. In dat laatste geval ontvingen ze een premie in geld om een vestiging te bekostigen. Het gebeurde daarbij soms dat men in eerste instantie het geld aannam en later toch terug wilde. In dat geval moest eerst gespaard worden om de terugtocht te bekostigen.
Evenals bij de Hindostaanse contractarbeiders is er ook over de Javaanse arbeiders een uitgebreide database opgesteld.
8.000 Javanen zijn na afloop van hun contract naar West-Indië teruggekeerd. De overige 25.000 zijn al dan niet noodgedwongen in Suriname achtergebleven.
De eerste groep migranten bestond uit 94 personen, 62 mannen en 32 vrouwen. De groep was op initiatief van de Nederlandse Handels Maatschappij geworven om te werk gesteld te worden op de de suikerplantage Mariënburg.
In de jaren hierna waren werving, transport en tewerkstelling een taak van de Nederlandse overheid.
Uit bovengenoemde database zijn een aantal gegevens over Jagtlust gefilterd.
Totaal over de gehele periode bezien, hebben er 953 Javanen op Jagtlust gewerkt. Voor 793 was het de eerste contractarbeid in Suriname, de overigen hadden eerst op een andere plantage gewerkt.
De Javaanse historicus Paul Mangoenkarso heeft de eerste groep Javanen op Mariënburg uitgebreid in beeld gebracht. Voor ons verhaal is, met gebruikmaking van enkele criteria uit zijn onderzoek, de eerste groep Javanen die op Jagtlust aankwam  in 1898, wat nader bekeken.
Die eerst groep, gearriveerd in twee transporten, bestond uit 65 personen, 46 mannen en 19 vrouwen. De gemiddelde leeftijd van de mannen was 23.9 jaar, van de vrouwen 21.7 jaar. Bij aankomst moesten tien personen wegens ernstige ziekte opgenomen worden in het hospitaal. In de eerste tien jaar overleden 8 personen, van wie 4 in het eerste jaar. Van die 8 personen werd tweemaal als doodsoorzaak verdrinking gemeld. In de overige gevallen was een ziekte de doodsoorzaak.
Met betrekking tot het afsluiten van vervolgcontracten bleek dit vooral bij de mannen favoriet. De vrouwen lieten het meestal bij één contract.
Uiteindelijk verkozen 20 Javanen om terug te keren naar Nederlands-Indië. Procentueel gezien waren dit vooral mannen. Slechts vier vrouwen gingen terug.

Tot 1930 waren de meeste Javanen in Suriname werkzaam op de plantages. Als gevolg van de crisisjaren sloten echter veel plantages. De werkloos geworden Javanen stapten over naar de kleine landbouw. Ze begonnen voor zichzelf, hierbij geholpen door de overheid die opgeheven plantages verkavelde tot kleine perceeltjes.

Jacob van der Burg.

JAGTLUST EN DE GESCHIEDENIS VAN DE SURINAAMSE KOFFIE

De in 1916 verschenen Encyclopaedie van Nederlands West-Indië, is een belangrijke bron voor tal van onderwerpen betreffende het “oude” Suriname. Over de geschiedenis van de koffie wordt o.a. het volgende vermeld (oude spelling).

“De eerste in Suriname gewonnen koffie werd op 2 september 1718 aan de directeuren van de Sociëteit van Suriname gezonden. In 1751 volgde een zending van 50 pond aan een in Nederland wonende plantagebezitster. In 1723 bedroeg de uitvoer al 5920 pond. Er waren in 1761 al 280 koffieplantages in Suriname. De uitvoer steeg, tot in 1790 het maximum van bijna 15 miljoen pond werd bereikt. Daarna volgde een daling, die zo ver ging, dat op het ogenblik (1915) de ‘Surinaamsche’ koffie, d.i. de Arabica, die tot 1880 aangeplant werd, van de wereldmarkt verdwenen is. Nu en dan worden kleine partijtjes uitgevoerd; het grootste gedeelte van de productie wordt in het land zelf gebruikt; slechts enkele plantages hebben nog een aanplant van eenige akkers, meestal vindt men de bomen verspreid in de velden. Doordat de de Surinaamse koffie hare bessen in een kort tijdsbestek rijpen laat en de bes, zodra ze rijp is afvalt, zijn er voor de oogst veel arbeiders op één oogenblik noodig. Bij de tegenwoordige arbeiders-verhoudingen is de cultuur van Surinaamsche koffie in het groot reeds daardoor zeer moeilijk.

De Surinaamsche koffie is waarschijnlijk een variëteit van de C. Arabica; ze was op de markt bekend wegens haar ‘blauwe’ boon.

In 1881 werd de eerste Liberia-koffie uitgeplant; de plantjes waren door het oorlogsschip Marnix van Afrika aangebracht. Op het ogenblik (1915) zijn nog boomen aanwezig in 1881 geplant, die voortdurend vrucht dragen. Bij deze soort blijft de bes na rijping aan den boom hangen, een groot voordeel met ‘t oog op de Surinaamse arbeiderstoestanden. In de korte periode van haar bestaan heeft deze cultuur reeds een crisis doorgemaakt door de lage koffieprijzen omstreeks 1898; dit had tot gevolg, dat op de meeste plantages de cultuur als verliesgevend verwaarloosd werd. Eerst na 1906 is men weer begonnen meerdere zorg er aan te besteden; de productie is echter tengevolge van die verwaarlozing nog lang niet zo hoog, als zij kon zijn naar de oppervlakte die beplant is. In de jaren, dat de cacao zwaar door de krullotenziekte geteisterd werd, heeft men vaak koffie geplant in de open plekken der cacaovelden, waardoor zeer onregelmatige aanplantingen zijn ontstaan.”

Tot zover de Encyclopaedie van Nederlandsch  West-Indië.

In de omschakeling van cacao naar koffie heeft Jagtlust, door de inspanningen van directeur Reinders Folmer, een belangrijke rol gespeeld.

Het dagblad De Surinamer van 3 mei 1925 zegt hier onder andere het volgende van.

“Jagtlust zat even als alle andere plantages na het uitbreken van de krullotenziekte in de misère. Daarbij kwamen nog de lage marktprijzen van de Liberiakoffie destijds. Er werden geen nieuwe immigranten aangeworven. Een deel van de arbeiders ging zelfs met den opzichter Waller over naar den aanleg van de Koloniale Spoorwegen. Ik meen, dat toen opzichter Van Drenth met een handvol volk overbleef. Het was op één dezer misèredagen dat de Directeur de heer Folmer op het denkbeeld kwam de hiaten, ontstaan door het doodgaan van de cacaobomen, met koffie te beplanten. Reeds den volgenden dag werd het denkbeeld ten uitvoer gebracht, en ging Van Drenth met allhands koffie planten. De plantsoenen werden uit de kapoewerie gehaald. Dat was in het jaar 1904. Reeds in 1909 begon de koffieproductie te stijgen. Maar ook de prijs steeg van 38ct. tot, als ik mij niet vergis, 63ct. per KG.

De cacaoproductie bleef al die jaren schommelen. De daarop volgende jaren kwam er meer en meer koffie. Maar de boomen begonnen elkaar te hinderen. De cacao en koffiebomen omhelsden elkaar te broederlijk, met het gevolg dat beiden er last van ondervonden, vooral de koffie. Er ontstonden slierten, boomen zonder takken, de z.g. parapluieboomen. Toen was het ogenblik gekomen om te beslissen. De heer Folmer liet toen de koffiemama opdunnen, en waar cacao voor de koffie hinderlijk was, werden de takken ingekort. De koffiebomen kregen meer lucht, licht en ruimte, namen in omvang toe, en hoe breeder die boomen uitzetten, hoe meer de cacao in den weg stond en zoodat er meer mee moesten sneven. Deze werkwijze is successielijk ieder jaar toegepast en de koffieaanplant breidde zich ieder jaar meer en meer uit ten koste van de cacao, totdat Jagtlust in 1923 een productie kreeg van:

Koffie    2360 balen à 100 K.G.        Cacao. 306 balen à 100 K.G.”

Tot zo ver de Surinamer.

Toch liep de plantage-economie terug. Dit was in feite al in de 18e en 19e in gang gezet. Hiervoor waren twee oorzaken aan te wijzen.

-Steeds meer plantages kwamen in handen van eigenaren die niet zelf in Suriname woonden, maar in Nederland zelf. Vaak waren die eigenaren trouwens banken of beleggingsfondsen, omdat eigenaren tijdens de bloeitijd te grote hypotheken hadden afgesloten. Het werk op de plantages werd overgelaten aan directeuren in loondienst.

-Er kwam meer concurrentie vanuit andere koloniën, waardoor er vanuit Nederland minder vraag was naar Surinaamse producten. Bij suiker kwam er zelfs bij dat de rietsuiker uit Suriname duurder was dan de bietsuiker uit Nederlands-Oostindië.

In de twintigste eeuw kwam er, over het geheel gezien, een einde aan de plantagebouw in Suriname. In feite was dit al in gang gezet met de afschaffing van de slavernij. Het aantal plantages verminderde in vijftig jaar van 216 in 1863 tot 9 in 1913. In de crisistijd van de jaren ‘30 (toen het economisch slecht ging in de wereld) en tijdens de tweede wereldoorlog was er geen scheepsruimte om plantageproducten te exporteren. Hierdoor verdwenen in korte tijd nog meer plantages. Tegelijkertijd nam de kleinlandbouw toe doordat de voormalige Hindostaanse en Javaanse contractarbeiders zich vaak daarmee bezig gingen houden. In tegenstelling tot de plantages produceerden zij hoofdzakelijk voor binnenlands gebruik. Het aandeel van de landbouwproducten in de export daalde van 80% in 1863 tot 6% in 1939.

(Bron: surinamwebquest.nl).

Jacob van der Burg.

.

BARNET LYON, PLANTAGE-EIGENAAR EN REGERINGSAMBTENAAR.

George Henry Barnet Lyon werd in 1849 geboren in Suriname, waar zijn vader verscheidene plantages bezat. Barnet Lyon ging voor studie naar Nederland, waar hij in 1871 promoveerde in de rechtswetenschap.

Terug in Suriname werd hij onder andere eigenaar van plantage Jagtlust. In 1905 vestigde hij zich weer definitief in Nederland. Bij zijn dood in 1928 bleef Jagtlust in de familie, de erven Barnet Lyon verblijvende in Brussel. Waarschijnlijk zijn het de erven die aan het einde van de tweede wereldoorlog Jagtlust hebben verkocht aan de gebroeders Karamat Ali.

Behalve als plantage-eigenaar is Barnet Lyon ook bekend geworden als Agent Generaal van het Surinaamse departement voor Immigratie, een functie die hij bekleedde van 1891 tot zijn vertrek naar Nederland.

Als Agent Generaal was het zijn functie toezicht te houden op werving, verdeling en bescherming van contractarbeiders. Deze functie was ingesteld in overleg met de Engelse regering bij de komst van de eerste Hindostaanse contractarbeiders naar Suriname. Engeland vond namelijk dat er voor de Hindostanen, die Brits onderdaan bleven, in eerste instantie te weinig garanties voor hun welzijn waren.

Na zijn vertrek uit Suriname werd er in 1908 een borstbeeld van Barnet Lyon geplaatst bij het presidentieel paleis in Paramaribo. Initiatiefnemer was de Hindostaanse tolk Sital Persad, die als wees door Barnet Lyon als pleegzoon was aangenomen. Het geld voor het borstbeeld werd opgebracht door de Hindostaanse gemeenschap.

De dubbelfunctie die Barnet Lyon bekleedde, plantage-eigenaar én Agent Generaal, maakte hem tot een persoon met veel macht. Veel kritiek op deze situatie was er niet. Een enkele maal waren er negatieve geluiden te bespeuren. In een ingezonden brief uit 1899 werd de vraag gesteld of deze constructie wel in het belang van de contractarbeiders was. Een plantage-eigenaar was immers gebaat bij productie, maar een Agent Generaal moest de arbeiders beschermen.

Dat de contractarbeiders vaak een treurig bestaan leden, werd voor het eerst breed uitgemeten door Anton de Kom, de eerste die de geschiedenis van Suriname vanuit het volk zelf beschreef. In zijn boek “Wij slaven van Suriname” vindt men echter weinig over Barnet Lyon. Hij wordt slechts een enkele maal genoemd, en dan niet in negatieve zin. Bij een oproer in het Paragebied kreeg-zo schrijft de Kom-  Barnet zelfs een schrobbering van de Gouverneur omdat hij het gewaagd had naar het lot van de Hindostaanse arbeiders daar ter plaatse te informeren.

Naast eerder genoemde functies bekleedde Barnet Lyon gedurende bepaalde perioden ook hoge functies bij het Hof van Justitie. Latere Hindostaanse schrijvers achtten hem op grond hiervan verantwoordelijk voor de slechte behandeling van Hindostaanse contractarbeiders.

Ook het gebruiken van extreem militair geweld met soms dodelijke afloop, wordt op zijn conto geschreven. Dit heeft ertoe geleid dat, met medewerking van de regering, op 16 september 2017 zijn borstbeeld bij het Presidentiële paleis verwijderd is.

Eerlijkheidshalve dient gezegd te worden dat niet alle Hindostaanse historici zo negatief over Barnet Lyon oordeelden.

Jacob van der Burg.

EEN PERSOONLIJK VERHAAL OVER JAGTLUST IN DE TWEEDE WERELDOORLOG.

Kees Heesterman was één van de jongens die na de oorlog vanuit Suriname bij ons in huis kwamen om in Nederland het vervolgonderwijs te bezoeken. De oorlogsjaren had hij met zijn ouders in Paramaribo doorgebracht. Vanuit Canada, waar hij al meer dan een halve eeuw woont, schreef hij over zijn belevenissen met zijn broer op Jagtlust. Hij verontschuldigde zich voor zijn fouten met de Nederlandse taal. Toch heb ik ervoor gekozen zijn originele tekst weer te geven.
“Als je Plantation Jachtlust Googled kun je een foto zien uit 1899 en het was blykbaar een cacao plantage. Maar toen wy daar waren was het allemaal koffie. Ik heb eens gehoord dat de cacao in Suriname verwoest werd door de krullotenziekte. Vlak na het begin van de oorlog werd ons vliegveld in Zandery bewaakt door het US leger. Het was erg strategisch omdat het de kortste vlucht naar het Noord Africa front was. Er waren heel wat Americanen en die betaalden veel meer dan de Surinaamse lonen. Oom Tit vertelde ons dat zyn timmerman na jarenlang daar ineens de plantage verliet. De eigenaar van de plantage was in België zo oom Tit moest alles zelf beheren. Waarschynlyk  door gebrek aan werkkrachten en minder export mogelykheden voor de koffie was er weinig koffie werk te doen. Er was meer werk in de fabriek om ryst te malen en daar hebben wy ook af en toe mee geholpen. By tegenwoordige standards was die fabriek erg gevaarlyk. Dryfriemen zonder bescherming dwars door de fabriek. De stoom machiene was een antiek maar werd slechts af en toe gebruikt. Er was een diesel maar die stopte om negen in de avond zo we hadden geen electrisch licht meer. Oom Tit en tante Ella hadden ook koeien en wel een kleine citrus plantage. Ook heel wat byen kassen en we hebben daar heel wat honing geslingerd.
Piet en ik hebben heel wat rond gevaren in een oude boot. Het was een vry grote boot waarmee koffie vervoerd werd. Met peddles kan je die makkelyk in beweging zetten en sturen omdat er geen wind is. We waren uren bezig om alle vaartrenzen te ontdekken. Het gaf ons een idee hoeveel koffie er vroeger geproduceerd werd. Nu zagen we dat de enorme droogtafels naast de fabriek slechts af en toe gebruikt werden.
Myn ouders kenden de bakker in Paramaribo vry goed. De enige keer dat ik daar was vroeg de bakker of myn vader een aantal zakken meel had afgekeurd om zyn vriend Folmer meer werk te verschaffen met zijn rystmeel. Vader was hoofd van de warenkeuringsdienst en vanwege de oorlog werd er maar af en toe meel geïmporteerd”.

Jacob van der Burg.















JAGTLUST NA DE TWEEDE WERELDOORLOG.

Op acht juli 1946 verscheen het volgende bericht in “De West”.
“Morgen, per s.s. Cottica, verlaat ons land voor goed de heer J.T. Reinders Folmer, afgetreden directeur van de plantage Jagtlust.
In 1896 kwam Folmer als jongste opzichter van gemelde plantage hier aan. Het was in den bloeitijd der cacaocultuur en Jagtlust, toen reeds 10-tallen jaren het trotsche familiebezit der Barnet Lyons, stond bovenaan de lijst der Surinaamse cacaoplantages.
In den korte spanne tijds van 3 jaren verloor Jagtlust door den dood 3 harer bekwame directeuren en daardoor kon Folmer ongewoon snel promotie maken. Zeer jong werd hij directeur dezer groote onderneming, die hij lief kreeg, met hart en ziel diende en geen dag verwisselde voor een andere gedurende zijn lang verblijf in Suriname. Een record, dat niet licht gebroken zal worden.
Folmer was een stille in den lande. Planter was hij en wilde hij blijven. De rest, politiek en anderszins interesseerde hem maar matig.
Hij was een goed chef en een goed Kameraad.
Otium cum dignitate zij hem en zijn vrouw toegewenscht.
                                           ………
Een speling van het Lot heeft gewild, dat juist bij dit vertrek, de plantage in andere handen is overgegaan. De Hindostaanse familie Karamat Ali is eigenaar geworden voor f. 70.000-”

De familie Karamat Ali was in Suriname niet onbekend. Zo maakte een Karamat Ali deel uit van de Surinaamse delegatie bij de Rondetafel Conferentie van 1948 over de toekomst van de Nederlandse koloniën. Ook Nederlandse kranten waren in hem geïnteresseerd.
“De heer Karamat Ali is niet, zoals andere delegatieleden een ambtenaar, maar een zakenman. Hij is directeur van een N.V. en exploiteert in Suriname twee bioscopen. Eén daarvan staat in Paramaribo, de andere in het gebied der Bauxietmijnen. Hij is tevens eigenaar van de koffieplantage Jagtlust aan de Commewijne. Welke hervormingen voor Suriname stelt hij voor? De reeks is niet klein. Want er valt in Suriname nu eenmaal veel te verbeteren. Als terreinen noemt hij onderwijs, gezondheidszorg en woningbouw.”

In 1955 kwam Karamat Ali weer in het nieuws.
“Karamat Ali in de branding.
De voorzitter van Kaum Tani Persatuan hekelde de gebroeders Karamat Ali omdat zij op de plantage Jagtlust, waarvan zij de eigenaren zijn, Javanen weg zouden werken ten koste van Hindoestanen.”

Rond 1975 waren er veel problemen tussen de gebroeders Karamat Ali en de kleine landbouwers op de plantage. In een feestelijke bijeenkomst ter ere van het vijfjarig bestaan van de Landbouwersbond Jagtlust, werd teruggeblikt op de tijd.
“11-07-1979. Zaterdagavond hebben de bewoners van de plantage Jagtlust op feestelijke wijze het 5 jarig bestaan van de Landbouwersbond Jagtlust gevierd. In een speciale feestvergadering werd o.a. het woord gevoerd door de voorzitter van de Federatie van Arme Landbouwers(F.A.L.) de heer Malmberg, en een kommissaris van de Bond, de heer S. Paidjan, die tevens als tolk in de Javaanse taal optrad.
De heer Malmberg gaf een kort overzicht van de veelbewogen geschiedenis van de plantage Jagtlust. Rond 1945 werd de plantage gekocht door de familie Karamat Ali en enkele jaren daarna konden de plantagearbeiders op de grond wonen tegen de betaling van een huur van 60 cent per vierkante ketting per jaar. Reeds vanaf 1956 streefden de bewoners van Jagtlust ernaar om de grond in eigendom te krijgen. Ze probeerden dat door drie verschillende regeringen te benaderen om de plantage op te kopen en weer door te verkopen aan de bewoners. Om verschillende redenen bleek deze weg niet haalbaar. De familie Karamat Ali nam ondertussen het initiatief om woonkavels te koop aan te bieden. Toen de bewoners dit aanbod afwezen omdat zij de gevraagde prijs te hoog vonden, begonnen de problemen die uiteindelijk in 1974 leidden tot de poging van de familie Karamat Ali om de huren dan maar drastisch te verhogen. De voorzitter van de F.A.L. konstateerde dat het nog niet bestaan van een landbouwersbond in 1972 duidelijk voelbaar was geweest omdat toen in feite meteen onderhandelingen hadden moeten worden gevoerd om tot een grondprijs te komen die voor beide partijen aanvaardbaar was. Want de bewoners van hun zijde waren bereid de grond te kopen. Rond om de huurverhoging ontstond een strijdsituatie, waarbij de oprichting van de Landbouwersbond op 16 juni 1974 en een grote demonstratie van alle bewoners tegen de huurverhoging de eerste hoogtepunten waren.”

Pas in 2010 kreeg deze geschiedenis een gelukkig vervolg, althans afgaande op krantenberichten.
“Pertjajah Luhur van Paul Somohardjo heeft begin februari, in plaats van het Ministerie van Ruimtelijke ordening, Grond en Beheer(R.G.B.) tijdens de partijbijeenkomst ongeveer 150 bedreigde gezinnen van Jagtlust voorzien van een bereidverklaring. De Regering heeft in 2009 12,5 hectare grond van Jagtlust genaderd. Zij wilde voorkomen dat de vorige grondeigenaren, de gebroeders Karamat Ali, de 150 bedreigde gezinnen, die decennia op de grond hebben gewoond, op straat zouden zetten. Voorouders van hen hadden een huurovereenkomst gesloten met de toenmalige eigenaren om landbouwactiviteiten uit te oefenen. Deze overeenkomsten zijn echter al ruim 10 jaar vervallen. Nakomelingen zijn gebleven op die percelen, zonder een huurovereenkomst met de nieuwe plantage-eigenaren te hebben getekend.
Karamat Ali heeft toen een rechtszaak aanhangig gemaakt om de gezinnen op straat te krijgen, maar de overheid heeft ter voorkoming hiervan genaderd” (onteigend ?).”

Wie heden ten dage op internet naar actueel nieuws over Jagtlust speurt, vindt er advertenties over een ecoproject en gebouwde en te bouwen woningen. Stap voor stap wordt  Jagtlust klaar gemaakt voor woningbouw. Op de sites staan mooie foto’s over de vorderingen. Maar tussen al die plaatjes staan ook foto’s van de gedeelten die nog bouwrijp gemaakt moeten worden. Overgroeide akkers en lange sloten.
En met een beetje fantasie ben je dan terug in de tijd, waarin Jagtlust de nadagen van een langdurig bestaan als echte plantage beleefde.

Jacob van der Burg.

ANTON DE KOM (1898-1945), SCHRIJVER VAN “WIJ SLAVEN VAN SURINAME”

.

(

Anton de Kom stierf in april 1945 in het Duitse kamp Sandbostel nadat hij in augustus 1944 door de Duitsers in Den Haag  was opgepakt wegens steun aan het Nederlands ondergronds verzet.

De Kom groeide op in een armoedige buitenwijk van Paramaribo, voornamelijk bevolkt door Creolen. Het geschiedenisonderwijs op school ging hoofdzakelijk over Nederland. Over zijn eigen land leerde hij weinig.

Op zijn twintigste jaar vertrok hij alleen naar Nederland, waar hij in Den Haag ging wonen. Hier had hij verschillende baantjes. Bij één daarvan leerde hij zijn toekomstige vrouw, de Nederlandse Nel Borsboom, kennen. Ze trouwden in 1926 en kregen vier kinderen. Naast zijn werk bracht Anton veel tijd door in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, op zoek naar de geschiedenis van “zijn” Suriname. Veel steun vond hij in de boeken van Wolbers en Teenstra. In hen herkende hij compassie met het lot van de slaven en afkeer van het slavernij systeem. Dit is zeer belangrijk geweest. Hij kon, later in  zijn eigen geschriften goed een onderscheid maken tussen het verderfelijke koloniale systeem en de “goede” Nederlanders die zich verzetten daartegen.

Eind 1932 vertrok het hele gezin De Kom, vrij plotseling, naar Suriname. Aanleiding was de slechte gezondheidstoestand van Antons moeder. Bij hun aankomst, 4 januari, bleek ze inmiddels overleden. Anton besloot met zijn gezin in Suriname te blijven. Begaan met het lot van de arbeiders, veelal Javaanse contractarbeiders, begon hij in een klein kantoortje in Paramaribo een adviesbureau, waar mensen hun klachten kwijt konden. Binnen korte tijd kreeg hij een grote klantenkring en werd een inspiratiebron voor georganiseerd protest tegen het Gouvernement. Er volgden demonstraties en De Kom werd op 31 januari 1933 gearresteerd. De beschuldiging luidde dat hij bezig was met een poging tot omverwerping van het gezag. Een gevangenisverblijf van drie maanden in Fort Zeelandia volgde. Hierna werd het gezin uitgewezen naar Nederland.

Terug in Nederland legde hij de laatste hand aan het manuscript van “Wij slaven van Suriname”, waar hij al in 1928 mee was begonnen. Het boek verscheen, in een door de overheid gecensureerde versie, in 1934. In het boek werd de geschiedenis van Suriname beschreven vanuit een Surinaamse visie. Dit gold niet alleen de slavernijperiode, zoals die door de eerder genoemde Nederlandse schrijvers was beschreven. Ook de lotgevallen van de verschillende groepen contractarbeiders kwamen uitgebreid aan bod. Op deze manier wist hij ook de gemeenschappelijke factoren van de verschillende bevolkingsgroepen in Suriname te benoemen. In Nederland betoonde De Kom zich begaan met het lot van de arbeiders. Dit bracht hem in het linkse, lees communistische, kamp. Vanuit die achtergrond was het voor hem dan ook niet meer dan logisch dat hij vanuit die hoek de strijd tegen de Duitse bezetters aanging, met de voor hem noodlottige afloop.

(Bron o.a.: www.antondekom.humanities.uva.nl).

Over zijn boek is in 1999 een documentaire gemaakt, die met enige moeite nog op internet te vinden is.

Jacob van der Burg.

DE SEINPAAL VAN PLANTAGE JAGTLUST.

Toen in 1863 de slavernij officieel werd afgeschaft, ontstond daarbij tevens de verplichting voor de vrijgemaakten om een achternaam te kiezen. Het voeren van een achternaam was slaven altijd verboden geweest. Bij negen personen op Jagtlust werd voor de  naam Seinpaal gekozen, hierbij verwijzend naar de seinpost die van oudsher op het terrein van de plantage stond. Hiermee werd de verbinding met Paramaribo onderhouden. Later werd deze communicatielijn uitgebreid met posten op fort Nieuw Amsterdam en op Braamspunt. Op deze wijze konden naderende schepen steeds eerder opgemerkt worden. Toen modernere communicatiemiddelen hun intrede deden, zijn de seinposten afgeschaft.
Die keuze voor de naam Seinpaal was niet vreemd, want vaak werd iets gekozen dat aan de plantage herinnerde. Daarnaast waren er ook wel namen die verwezen naar beroepen of karaktereigenschappen. Ook plaatsnamen werden wel als achternaam gekozen. Soms werden ook fantasienamen gekozen, samengesteld uit bestaande woorden. Met veel van die namen zijn we nu vertrouwd omdat ook in Nederland veel afstammelingen van vrijgemaakten wonen.
De ex-slaven met de achternaam Seinpaal waren Adelaïde Jacoba (52) met haar drie kinderen Candatie (30), Wilhelmijntje (22) en Castor (19). Verder de kinderen van Candatie: Josephina (14), Cornelis (11) en Helena (14). Tenslotte nog de kinderen van Wilhelmijntje: Eva Elfride (4) en Rosalina Elisabeth (1). Dit waren op dat moment de enigen met de naam Seinpaal. Bij wet was het verboden dat personen, die geen familie waren een zelfde achternaam kozen. Bij de volkstelling van 1921 in Suriname waren er 12 personen met de naam Seinpaal.
In Nederland waren er in 2007 vijftig personen met de achternaam Seinpaal.

Jacob van der Burg.





CHINESE CONTRACTARBEIDERS IN SURINAME.

Wanneer iemand in Suriname van gemengd bloed is en een gedeelte daarvan bestaat uit Chinees bloed, dan is de kans groot dat die vermenging al generaties geleden heeft plaats gevonden. De groep Chinese contractarbeiders die tussen 1853 en 1873 werd aangevoerd bevatte weinig vrouwen. Dit had te maken met bepaalde  voorschriften binnen dorpsgemeenschappen. Die eerste arbeiders kwamen trouwens uit Nederlands-Indië. Later kwamen ze vooral uit China. Dat de eerste contractanten al voor de afschaffing van de slavernij naar Suriname kwamen, was op verzoek van de planters zelf. Men vreesde een tekort aan arbeidskracht op het moment dat de afschaffing een feit zou zijn.  Merkwaardig genoeg weigerden diezelfde planters, toen de Chinezen er eenmaal waren, ze tegen het afgesproken loon in dienst te nemen.

Anton de Kom schreef hierover: “Zij kwamen op april aan, doch nu bleek dat niemand koelies wilde inhuren, zo lang men slaven voor niets kon laten zwoegen. Hierop werd het eenmaal gesloten contract buiten de Chinezen om, door de gouverneur eigenmachtig ten voordele van de huurders gewijzigd. De Chinezen werden volkomen als slaven behandeld”.

Op Jagtlust had men weinig te maken met dergelijke perikelen. Slechts een groep van acht man kwam voor contractarbeid naar de plantage. Zij kwamen ook niet uit China, maar uit Suriname’s buurland Demerara, een onderdeel van het latere Brits Guyana. Erg gelukkig liep het avontuur voor de acht mannen niet af. Vijf van hen overleden als gevolg van ziekte nog voor het einde van hun contract. Een zesde kwam in de gevangenis terecht en een zevende deserteerde.

Van de totale groep Chinezen, die naar Suriname gekomen was, ging een derde na afloop van hun contract terug naar het thuisland.  Zij die wel bleven, trouwden vaak met vrouwen van Creoolse afkomst. De families gingen dan op in een algemene smeltkroes.

Begin 19e eeuw waren er in Suriname nog maar zo’n duizend  “echte” Chinezen. Veelal hadden ze weinig meer met plantages van doen, maar bewerkten een eigen landje of gingen in de handel.

Dat tegenwoordig zo’n twee procent van de bevolking in Suriname uit Chinezen bestaat, heeft met latere grote migratiestromen uit China en voormalig Nederlands-Indië te maken. Deze kwamen op gang toen de omstandigheden in die gebieden verslechterden. Zo werden in Nederlands-Indië de Chinezen, na het gedwongen vertrek van veel Nederlanders daar, steeds meer tweederangsburgers. Ze kwamen trouwens niet alleen in groten getale naar Suriname, maar velen vestigden zich ook in Nederland.

Dat het aantal Chinezen in Suriname soms groter lijkt dan de eerder genoemde cijfers ligt aan het feit dat Chinezen vaak op plekken werken die midden in de openbaarheid staan: handel, winkels, restaurants, etc.

Jacob van der Burg.

HOE DE AMSTERDAMSE GEVELSTEEN “ ‘T SERNAEMSE KOFFIVAT” AAN BEZOEKERS VAN EEN FRIES MUSEUM EEN STUKJE SURINAAMSE GESCHIEDENIS LEERT.

Het museum  van Joure in Friesland herbergt sinds 1980 in haar Douwe Egberts hoekje een bijzondere gevelsteen, ‘t Sernaemse Koffivat. Rond 1725 is deze steen ingemetseld in het pand Sint Nicolaasstraat 58 in Amsterdam. In 1960 werden pand en gevelsteen gerestaureerd. Nadat krakers in de zeventiger jaren bezit van het huis hadden genomen, is er in 1974 brand uitgebroken, waarbij het gebouw bijna geheel gesloopt moest worden en de gevelsteen spoorloos is verdwenen. Hij dook pas op in 1977 bij een veiling in Utrecht en werd toen door Douwe Egberts gekocht voor hun museum in Utrecht. Toen Douwe Egberts achter de herkomst van de steen kwam heeft men op kosten van de firma een replica laten maken. Deze kreeg een plekje in de gevel van het inmiddels door Amsterdams Stadsherstel opnieuw opgebouwde huis. Toen in 1980 het Douwe Egberts museum in Utrecht werd opgeheven kreeg de poriginele steen een plekje in het museum van Joure, de bakermat van Douwe Egberts.

Met dit verhaal wordt door het museum in de komende kerstvakantie de gevelsteen extra in de spotlights gezet. Naast het verhaal van de steen zal ook aandacht besteed worden aan de  geschiedenis van de koffie in Suriname. Vanzelfsprekend wordt hierbij ook gekeken naar de mensen (slaven en contractarbeiders) die nodig waren om die koffieproductie in stand te houden. Op deze manier hopen het museum en ik de geschiedenis onder de aandacht te brengen en interesse te wekken voor het Suriname van nu. Daarbij kunnen ook opgeknapte plantages opnieuw een rol spelen, maar nu als toeristische trekpleister ten behoeve van Suriname zelf.

Jacob van der Burg.

DE OUDSTE KABELBAAN VAN SURINAME.

Wie via allerlei websites op zoek gaat naar toeristische attracties die Suriname heeft te bieden, komt daarbij een aansporing tegen om te gaan genieten van een spannende kabelbaanervaring in het binnenland. Doorklikkend zie je Youtubefilmpjes waar mensen in een soort tuigje, hangend onder een kabel, met duizelingwekkende snelheid door de lucht vliegen, tussen bomen door en over een rivier.

Bij kabelbanen denk ik aan stoeltjesliften en cabines die rustig boven een landschap zweven. Een dergelijke kabelbaan is er vroeger wel in Suriname geweest. Op internet is bijgaande, jammer genoeg wat vage, foto te vinden van een cabinekabelbaan over de Surinamerivier. Deze baan maakte onderdeel uit van de Lawaspoorweg, later genoemd de Landsspoorweg. In 1903 werd vanuit Paramaribo begonnen met de aanleg van deze spoorbaan, die helemaal zou moeten gaan naar Benzdorp in het Lawagebied in Oost-Suriname, het gebied van de goudwinning.

Wegens tegenvallende goudvondsten is echter maar de helft tot aan de Sarakreek aangelegd. Het eerste baanvak, van Paramaribo tot Republiek, werd in 1905 in gebruik genomen. De Sarakreek werd in 1912 bereikt. Hier werd station Dam aangelegd. Het spectaculairste onderdeel was echter de kabelbaan over de Surinamerivier. Bij station Kabel moest iedereen uitstappen en reisden de passagiers in gondels de rivier over. Aan de overkant stond weer een treintje klaar voor het laatste stuk naar Dam. Rond 1936 werd dit laatste stuk weer opgeheven. In 1958 werd het Station te Paramaribo verplaatst van het Vaillantsplein naar Beekhuizen, in 1961 werd Onverwacht het beginpunt. Toen in de jaren zestig het Brokopondostuwmeer begon vol te lopen, werd ook het baanvak van Brownsberg tot Kabel opgeheven. In de jaren tachtig verdween de rest van de lijn. De laatste trein reed in 1987. Op sommige plekken herinneren stukken rails en oude wagons nog aan het spoorverleden. Ik ben benieuwd of er ook nog resten van de kabelbaan te vinden zijn.

( Bron o.a. : Wikipedia, ANDA Suriname,)

Jacob van der Burg.