EEN HOSPITAAL OP JAGTLUST.

Van Kees Heesterman, die in de oorlog vaak op Jagtlust logeerde, ontving ik onlangs uit Canada onderstaande tekening. Hij schreef: “Hierbij een tekening van het hospitaal op Jagtlust, zoals ik dat zag vanaf het balkon naast de logeerkamer waar Piet en ik een paar keer onze vakantie doorbrachten.”

Hoe lang het door Kees Heesterman getekende hospitaal op Jagtlust al bestond, valt moeilijk te achterhalen. Wel is het zo dat in de kolonie, bijna vanaf de stichting, er regels waren met betrekking tot de gezondheidszorg. Dit blijkt uit een inaugurale rede op de Rijksuniversiteit in Wageningen (dd 25 februari 1949):

“In 1688 bestond te Paramaribo reeds een Landsgasthuis voor de burgerbevolking.

De verzorging van de arbeidskrachten op de plantages heeft zich van den beginne af bezig gehouden met het verstrekken van geneeskundige hulp. Een plakkaat uit 1686, waarin de verhouding van werkgever en werknemers (toen nog slaven) op de plantages geregeld werd, bevat het voorschrift dat men, bij ziekte de arbeiders goede geneeskundige hulp diende te verschaffen.”

Hierbij moet wel aangetekend te worden dat, met betrekking tot de slaven, de gezondheidszorg er vooral op gericht was geen kapitaal verloren te laten gaan. Men zag de slaven vooreerst echt nog als investering/bezit in goederen.

Toen na de afschaffing van de slavernij contractarbeiders die plaats in kwamen nemen, kwam er in Suriname de verordening van 21 januari 1879 tot stand, waarin “de geneeskundige behandeling en verpleging der omwonenden op de plantages en gronden” nader werd geregeld. Eigenaren van plantages werden verplicht een ziekenhuis op de plantage te vestigen, dit in te richten en te zorgen voor voldoende verpleging, genees- en verbandmiddelen en voeding der patienten.”

Wanneer precies het hospitaal op Jagtlust er kwam is dus niet duidelijk. Het moet er in ieder geval in 1897 al gestaan hebben, want toen verscheen een advertentie in de krant waarin een hospitaalopzichter voor Jagtlust werd gevraagd.

Veel nieuws over het hospitaal vind ik verder niet, behalve onderstaand berichtje uit 1930.

“Op één der kostgronden van Plantage Jagtlust had in de afgelopen week een droevig ongeval plaats. Een Br. Indische jongen van 9 jaar speelde met een jachtgeweer dat geladen was. Het schot ging af met het treurig gevolg dat hij de volle lading kreeg in zijn kaak die zo goed als weggeschoten werd. Hij is opgenomen in het hospitaal van plantage jagtlust door Dr. de Miranda. Zijn toestand is voor het ogenblik gunstig te noemen, doch hersteld zal hij ergerlijk verminkt wezen.”

Wanneer het hospitaal werd opgeheven, is ook niet duidelijk. In ieder geval voor november 1949, getuige volgend krantenartikel.

“11-11-1949. Morgen zal het Theater Jagtlust, ondergebracht in het voormalig Hospitaal geopend worden.

Bij de opening zal een dubbel programma vertoond worden, n.l. Song of Mexico en de muzikale cowboyfilm Home in Oklahoma. Zondag wordt de Hindustaanse film Doosri Shado gespeeld. Voorlopig zullen op Zaterdag, Zondag en Woensdag voorstellingen gegeven worden.”

Toekomstige bewoners van Jagtlust behoeven niet te vrezen voor hun gezondheid, want binnenkort is er een overvloed aan medische hulpkrachten op het terrein.

“Familienieuws.com.  5 juni 2017

425 verpleegkundigen hebben vorig weekend hun bereidverklaring gekregen van de overheid in het Auditorium van het Academisch ziekenhuis Paramaribo (AZP).

Ze komen in aanmerking voor een perceel op het Zusterproject Jagtlust in Commewijne op initiatief van voormalig verpleegkundige Sylvana Alfonsoewa. Het Zusterproject Jagtlust bestaat uit duizend percelen van ongeveer 375 vierkante meter. Alle percelen worden onder andere voorzien van water en electriciteit. De wegen zullen worden verhard.”

Jacob van der Burg.

BOEROES

Nog voor de afschaffing van de slavernij kwam een groep arme boeren uit Nederland naar Suriname om daar nieuwe landbouwbedrijven te stichten. Ze werden bekend als de “Boeroes”. Ook over deze groep is een databank aangelegd in het Nationaal Archief (klik op link hieronder).

In de jaren 1845-1853 arriveerden bijna 400 van deze immigranten in Suriname. De voorbereiding in Nederland was verre van optimaal. De informatie over wat ze te wachten stond was summier en de selectie van deelnemers overhaast. Bovendien bleek bij aankomst dat het Surinaamse Gouvernement de afspraken over het inrichten van de vestigingsplaats niet was nagekomen.

Hoewel veel van de kolonisten tijdens de eerste jaren bezweken aan ziekten en ontberingen, wist de groep zich uiteindelijk toch te handhaven. Wel trokken ze weg van hun eerste vestigingsplaats, Plantage Voorzorg aan de Saramacca, omdat de voorzieningen erg slecht waren en het klimaat ongunstig. Een aantal jaren was Groningen de nieuwe verblijfplaats. Omdat dit te ver af lag van Paramaribo waar de boeroes hun landbouwproducten moesten slijten, vestigde men zich definitief in de buurt van Paramaribo. Daar, in Kwatta en Uitvlugt, wonen ook nu nog de meeste Boeroes.

Bron: Nationaal Archief.

-Op de site van de Stichting “Boeroe Kon Makandra” uitgebreidere informatie terug te vinden over de Boeroes (boeroes.nl).

-De journaliste Karin Sitalsing schreef een boeiend boek over haar Boeroe-voorouders (Boeroes, Uitgeverij Atlas)

Jacob van der Burg.

EEN OUDE FOTO VAN DE LAATSTE DIRECTEUR VAN PLANTAGE JAGTLUST.

Op internet vond ik deze oude foto, gemaakt op 31 juli 1900 in de tuin van Plantage Voorburg. De figuur staande in het midden is Tiddo Jacob Reinders Folmer. Bijna een halve eeuw was hij directeur van Jagtlust geweest toen hij de plantage in 1946 verliet en weer naar Nederland terugkeerde. Hem kende ik als “Oom Folmer” en zijn verhalen deden mij als kind verlangen ooit zelf dat verre Suriname te bezoeken.

Op de foto staan verder o.a. de plantagedirecteur van Voorburg met vrouw en dochter en ook nog enkele gasten. Aan de rechterkant van Folmer zit de districtscommissaris van Nickerie, C. van Drimmelen en geheel links op de foto Dr. H. van Cappelle, leraar aan de “Hoogere Land- en Tuinbouwschool” in Wageningen (Ned.).

De foto is waarschijnlijk gemaakt ter gelegenheid van het bezoek van laatstgenoemde aan Suriname. Van Cappelle, geoloog, was namelijk door de Nederlandse Regering uitgezonden om in Suriname op expeditie te gaan naar het Boven-Nickerie gebied om dat nader in kaart te brengen. Districtscommissaris Van Drimmelen had hier voorbereidend onderzoek voor verricht. Na afloop van de expeditie verwerkte Van Cappelle de resultaten in één van zijn vele boeken.

Tijdens zijn verblijf in Suriname heeft hij naast geologisch onderzoek ook ander onderzoek gedaan. Zo heeft hij in Paramaribo en in het Nickerie-District ook verhalen over de spin Anansi (Anansi Tori’s) opgetekend, verhalen die tot dat moment alleen mondeling werden overgedragen. De resultaten verwerkte hij eerst in een enkel artikel, maar later ook in een in 1924 verschenen boek: Mythen en Sagen uit West-Indië.

Toch werden de Anansiverhalen waarschijnlijk nog het meest bekend bij een groter publiek door het in 1986 verschenen “Grote Anansiboek”, geschreven door oud-schoolmeester en eerste President van Suriname: Johan Ferrier.

Jacob van der Burg.

CODJO, MENTOR EN PRESENT

Sinds het einde van de vorige eeuw wordt elk jaar op 26 januari de dood op de brandstapel in 1833 herdacht van Codjo, Mentor en Present. Het verhaal over het proces en de terechtstelling zou waarschijnlijk niet zo bekend geworden zijn zonder de inspanningen van Marten Douwes Teenstra, die in die tijd in Suriname verbleef.

Op 26 januari 1833, dus de dag van de terechtstelling, plaatste hij in de Surinaamsche Courant de volgende annonce:

“Berigt van Inteekening: De ondergeteekenden zijn voornemens, wanneer ter bestrijding der kosten, de verlangd wordende exemplaren toereikend zijn, bij inteekening, in het licht te geven:

Bijzonderheden betrekkelijk den brand te Paramaribo, in den nacht van den 3den op den 4den Sept. 1832, en verdere pogingen op verschillende tijden en plaatsen tot brandstichting; gevolgd van den afloop der criminele procedure en sententie tegen de daarin betrokkene aangeklaagden en gedetineerden bij het Geregtshof te Suriname; ene ens den afloop der executie van hetzelfde vonnis.

Zullende de namen der. HH Intekenaren, alphabetisch gerangschikt, voor den authentieke afschriften en bijdragen geplaatst worden, en hier te Paramaribo ( terwijl de lijsten van inteekening nader zullen worden aangeboden), worden het einde der eerstvolgende maand, worden gedrukt en uitgegeven.

Paramaribo, den 26 Januarij 1833

M.D. TEENSTRA

J. BROMET.

NB. -Degenen, welke genegen mogen zijn hiertoe bijdragen te leveren, worden daartoe vriendelijk uitgenodigd.”

Marten Douwes Teenstra, een Groningse boerenzoon, was één van de eerste Nederlanders die de slavernij afkeurde en openlijk schreef over de misstanden in de kolonie Suriname. In eerste instantie was Teenstra in Suriname benoemd tot landbouwadviseur en inspecteur voor bruggen, straten, wegen en waterwerken. Ten  tijde van het proces tegen de brandstichters had hij echter al de functie van assistent van de procureur-generaal in Paramaribo. In die functie had hij toegang tot alle processtukken. En de brochure die hij van plan was te laten verschijnen is ook op beperkte schaal verschenen. Dit zeer tegen de zin van het Gouvernement. Hij werd ontslagen en keerde terug naar Nederland.

In 1842 publiceerde hij het boek “De negerslaven in de kolonie Suriname.” In dit boek was de brochure uit 1833 integraal opgenomen en zo raakte het verhaal over de brandstichting meer bekend.

Het bijzondere van zijn verslag is dat men er duidelijk in kan lezen op welke gronden het Hof de eis van de aanklager (slechts één doodvonnis) om boog naar de uiteindelijke uitspraak (vijf doodvonnissen). De aanklager had alleen een vonnis Twegens brandstichting gevraagd. Het Hof vonniste ook op grond van plannen het gezag in Suriname omver te werpen. Dit deed men naar aanleiding van een passage uit een verhoor van Codjo.

“Nadere examinatoe met den Negerslaaf Cojo, van den 16den November 1832, ten overstaan der Raden Mr. C.A. Marchant en C Gollenstede.

-(Cojo) Verklarende verder, om dan, wanneer zij, na het welgelukken hunner herhaalde pogingen om brand te stichten, het grootste gedeelte der stad in den asch zouden hebben  gelegd, en genoegzaam van wapenen voorzien waren, de Blanken bevechten en trachten zouden zich meester van het land te maken, en wanneer zij de Blanken overwonnen en verjaagd hadden, zich alsdan van alles meester te zullen maken.”

Teenstra vond overigens wel dat negers tot een lager ras behoorden en dat ze bekeerd moesten worden tot het Christendom. Maar deze bekering kon pas plaatsvinden nadat ze vrije mensen waren geworden.

Op grond van het verslag van Teenstra verscheen begin 19e eeuw eerst als feuilleton en laters als boek :“Codjo de brandstichter, oorspronkelijk historisch-romantisch verhaal uit het jaar 1832.” De auteur was pater Henri Rikken, als missionaris in Suriname werkzaam onder de Chinese bevolking van Coronie, Para en Nickerie.

Als basis voor zijn verhaal gebruikte hij de documentatie van Teenstra, maar mengde dit met zeer veel gegevens over land en bevolking van het `Suriname uit de tijd van de grote brand. Veel van de gruwelijkheden, zoals vermeld door Teenstra, verbleken  daardoor wat, zoals blijkt uit enkele passages van een recensie in De Surinamer van 9 september 1905.( N.B. In de oude spelling, ongecorrigeerd)

“Boekbeoordeling. Een nieuw werk over Suriname.

Codjo, de Brandstichter, Historische Roman” enz. door Pater H.F. Rikken CSSR, een nieuw werk mij welwillend “van den Schrijver” aangeboden, heb ik met waar genoegen en, wat de laatste helft ervan betreft in een adem doorgelezen.

‘t Was waarlijk een aangename verpoozing in de eenzaamheid…..Men ziet Paramaribo zooals het toen was, men beweegt zich op de markt en op de straten van dien tijd, verlustigt zich in de soms potsierlijke houdingen en gebaren welke de afwisselende gevoelens van vreugde, van afkeer, van gramschap der joelende menigte vergezellen. Men hoort ze nog spreken gelijk er toen gepraat werd. Daarom, het lijdt geen twijfel, zal het werk met genoegen gelezen worden door de zonen van het land vooral.

Daarenboven heeft Codjo eene voortreffelijke strekking. Toestanden, welke daar geschetst worden, vormen een zeer donkeren achtergrond. Maar de betere levensverhoudingen van thans, steken daarop te gunstiger af. Geen slaafsch, mokkend , op wraakzucht zinnend volk meer, maar een vrij, vredig, voor een deel in eigen onderhoud voorziend geslacht, bij hetwelk zedelijkheid en familieleven althans in opbloei is, heeft de plaats ingenomen van het vroegere…….Merkwaardig mag heeten de verfoeilijke rol; welke door den ouden, vadzigen, dranklustigen Tom, den gifmenger, gespeeld wordt. Bij uitstek vaardig in het debiteren van negerengelschen spreekwoorden, weet hij daardoor de kalmen aan te hitsen, de opgeruiden te bemoedigen, de misdaad, welke ook, te vergoelijken…..

Hij spoort aan tot diefstal, hij ent op een jeugdig slachtoffer de ziekte der melaatscheid. En reedslang gevangen, is hij nog brandstichter, werkend in en door de handen zijner eedgenooten. Met somberen passende kleuren wordt die misdaad afgeschilderd, maar ook evenzoo de gerechtheid der harde straf, welke hier gebiedende eisch was om tot afschrikwekkend voorbeeld te dienen. De beschrijving van den brand en van de terechtstelling is keurig, evenzoo de heele ontknoping van het verhaal…….-“

De gruwelijke kanten van het verhaal over de brandstichters kwamen onverbloemd naar voren in Anton de Koms boek “ Wij slaven van Suriname”, verschenen in de dertiger jaren van de vorige eeuw. De volgende passage is door Anton de Kom geschreven op grond van Teenstra’s notities. N.B. De oorspronkelijk stijl en spelling zijn gehandhaafd.

“Er waren eens, wij schrijven 1832, twee jonge negers. De oudste was 18, de jongste 14. Frederik heette de eene, Codjo de andere. Waarschijnlijk hebben zij vele malen huiverend gestaan voor de muren van het fort Zeelandia, wanneer de smartelijke kreten der getuchtigden klonken.

Zeker hebben zij ook de “Spaansche bok” zien toepassen op de straathoeken van Paramaribo en, evenals die Britsche officieren, geluisterd naar “ those poor wretches suffering torture”. En zeker hebben zij zelve, slaven van hun geboorte, tal van malen ondervonden hoe het aanvoelt wanneer de zweep van den blanken officier de zwarte huid striemt!

Zij waren door hun meester de stad ingezonden om broodjes uit te venten. Codjo had twee en een halven cent te weinig ontvangen en Frederik had op dienzelfden dag acht cent verloren.

Het was de primitieve angst, de angst van een beest dat bang is voor de slagen, die hen weerhield dien avond naar hun meester terug te keeren. Den volgenden dag beseften zij dat hun thans, door het wegblijven, nog strengere straf bedreigde. Zij leefden in het bosch dichtbij Paramaribo en naarmate de tijd vorderde sloten zich bij hen aan nog enkele verworpelingen, eveneens knapen, eveneens bedreigden, die om de één of andere reden de tirannie hunner meesters ontvlucht waren.

Zij leefden in de bosschen, maar deze jonge negers waren geen plantageslaven, opgegroeid in de stad voelden zij zich in de vrije natuur, als vreemden en verstonden de kunst niet zich met haar vruchten en gewassen te voeden. Zij leden  honger. Wanneer de nacht kwam, ondernamen zij ergens in de buitenwijken een strooptocht naar voedsel. Zij leefden in de voortdurende angst ontdekt te worden. Zij werden bespied, opgejaagd, soms moesten zij naar hun bosch terugvluchten zonder iets eetbaars bemachtigd te hebben.

Toen kwam het plan bij hen op brand te stichten en van de verwarring gebruik te maken om zoveel geld en mondkost te stelen dat zij vrij in de bosschen konden leven. Op den 3 den September des avonds elf uur ontstond er brand in één der wijken van Paramaribo. In het samenraapsel van krotten en hutten, dat achter de statige huizen der blanken de toenmalige hoofdstad vormde, vonden de vlammen gretig voedsel. Een behoorlijke brandweer ontbrak. Van een organisatie die de ramp in haar aanvang had kunnen stuiten was geen sprake. In de tijd van weinig uren werd een zeer groot gedeelte van Paramaribo een prooi der vlammen. Waren de jonge negers van de uitwerking hunner eigen daad geschrokken? Was het licht der vlammen te helder geweest om hun oorspronkelijke opzet te kunnen volvoeren? Wij weten slechts dat de premieën die op hun hoofd gesteld werden, niet zonder gevolg zijn gebleven. Enkele dagen na den brand werden de slaven Codjo, Mentor, Present en Frederik gevangen genomen en even daarna ook hun vrienden.

Het Openbaar Ministerie, waargenomen door den Hollander Kanter, eischte dat Codjo zou gehangen worden, het hoofd daarna afgehouwen en tentoongesteld. De andere beschuldigden  zouden gegeeseld en gebrandmerkt worden en voor langeren of korteren tijd in de boeien tot dwangarbeid verwezen.

Het Koloniaal Gerechtshof kon zich met deze strafmaat niet vereenigen. In naam des Konings rechtdoende, veroordeelde het Codjo, Mentor en Present om levend verbrand te worden, Winst en Tom om te worden gehangen, de overigen om in boeien geklonken te worden, gegeeseld en tot levenslangen dwangarbeid gedwongen.

Een weinig fantasie, waarde lezer, om uw gemoed in te denken in die dagen die tusschen  het vonnis en zijn voltrekking verliepen. Een weinig fantasie om u die stampvolle plaats in Paramaribo voor te stellen, waar de geur van gebraden menschenvleesch omhoog steeg. Het is niet gebeurd in de dagen der inquisitie . Het is gebeurd in 1833, kort na van Speyk. In de tijd van Bellamy’s verzen en van het sentimenteele proza.

In dien tijd valt het levend verbranden van drie, het ophangen van twee, het tot levenslangen dwangarbeid veroordeelen van vijf negerjongens, waarvan de meesten den leeftijd van 20 jaar nog niet hadden bereikt.

Ach, het is geen schoone herinnering die wij in onze harten aan deze daad bewaren!”

Tot zover Anton de Kom.

In de vijftiger jaren van de vorige eeuw volgde er nog het toneelstuk “Codjo, Mentor en Present”. Het werd in Paramaribo opgevoerd door de toneelvereniging “Jong en Oud”. Auteur, regisseur en medespeler was Emilio Meinzak. Een aantal jaren had het stuk veel succes. Er was zelfs een meerdaagse tournee door het binnenland en een opvoering op Curaçao. De tekst van het stuk is niet meer terug te vinden, maar waarschijnlijk steunde het meer op Rikkens bewerking dan op de felle aanklacht van Anton de Kom.

Emilio Meinzak was trouwens ook bekend omdat hij een aantal boekjes schreef waarin Surinaamse woorden en zegswijzen in het Nederlands vertaald werden.

Jacob van der Burg.

GESCHIEDENIS VAN MANUMISSIE (VRIJGEVING) VAN  SLAVEN.

.

Manumissie, het vrijgeven van slaven, gebeurde vermoedelijk al vanaf begin van de kolonie Suriname. Pas in 1733 werd een manumissiereglement van kracht. Aan de procedure van invrijheidstelling waren veel voorwaarden verbonden en eenmaal “vrij” hadden de ex-slaven beslist niet dezelfde rechten als de andere inwoners van Suriname. Zo werden ze gelast “gene de minste stoutheid, moedwil of eenige feitelijkheden aan eenige Blanken te doen, noch gedoogen, dat die door Slaven word gedaan, maar in tegendeel dat zij aan alle Blanken, alle ontzag, eerbied als anderszins moeten bewijzen, met uitdrukkelijke waarschouwing, dat schoon zij in alle andere zaken egaal recht genieten met Vrijgeboornen, zij echter in zulken geval aangemerkt zullen worden als de zulken die het onwaardeerlijke Pand van Vrijheid  aan Blanken verschuldigd zijn.”

De Blanken daarentegen waren gehouden van het reglement geen misbruik te maken, “dewijl hen vrij staat, om wanneer een Vrijgemaakte ergens in misdoet daarover te klagen aan de Overigheid, doch gansch niet om zich zelven te rechten; gelijk hen ook ten scherpste verbooden werd uit baldaadigheid een Vrijgemaakte Slaaf te mishandelen, op straffe van anderszins, als verstoorders van de gemeene Ruste, gestraft te zullen worden.”

Hoewel bovenstaande tekst in theorie bescherming voor de vrijgemaakte slaaf bood, is het de vraag in hoeverre dit in de praktijk ook zo werkte. Hoe verder men weg was van Paramaribo, des te gemakkelijker was het zich niet aan de wet te houden.

Bovendien had een vrijgemaakte nog lang niet dezelfde burgerlijke en staatkundige rechten als andere inwoners. Volgens een reglement uit 1761 waren niet alleen zij, maar ook hun nakomelingen verplicht hun voormalige eigenaar, diens vrouw en kinderen en afstammelingen van deze “alle Eere, Respect ende Reverentie” te bewijzen. Dit hield ook in dat, wanneer een voormalig eigenaar niet meer in zijn levensonderhoud kon voorzien, de vrijgemaakte hier zorg voor moest dragen.

Voor vergrijpen als het slaan of beledigen van zijn voormalige meester of diens vrouw en voor het ten tweede male bijwonen van een slavendanspartij moest de gemanumitteerde in slavernij terugkeren.  

Sexuele omgang met slaven of slavinnen was verboden. Een eerste overtreding werd gestraft met boete, een tweede met lijfstraf en bij een derde keer wachtte weer de slavernij. In 1779 werd het gemanumitteerden verboden zich op wegen, velden en bossen rondom Paramaribo met een schietgeweer te vertonen.

In 1788 werd verordonneerd dat iedere vrijgemaakte slaaf 100 gulden, en iedere vrijgemaakte slavin 50 gulden aan de wegloperskas moest betalen.

In 1804 werd bepaald dat een meester die een slaaf wilde vrijgeven een borg van 2000 gulden moest betalen.

In 1816 werd het aan alle gemanumitteerden verboden zich binnen het eerst jaar van hun vrijheid, buiten de kolonie te begeven.

In feite werden de voorschriften steeds strenger.

Pas in 1850, toen afschaffing van de slavernij onvermijdelijk leek, werden de kosten, verbonden aan manumissie, opgeheven en de formaliteiten vereenvoudigd.

Bron: Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië (1914-1917), Herman Daniël Benjamins en Joh. F. Snelleman.

Jacob van der Burg.

EEN HOUTFABRIEK OP JAGTLUST

Kort na de tweede wereldoorlog werd Plantage Jagtlust verkocht aan de gebroeders Karamat Ali. Over de tijd dat de plantage in hun beheer was, was in oude krantenarchieven weinig terug te vinden, behalve dat er in de zeventiger jaren een conflict ontstond tussen de kleine landbouwers op de plantage en de eigenaars. Die strijd eindigde uiteindelijk toen de grond overgenomen werd door de Staat.

Pas onlangs, toen ik een andere manier van zoeken had gehanteerd, vond ik in De Surinamer toch nog wat meer bijzonderheden over de periode dat er op Jagtlust een houtfabriek was.

Het eerste bericht was uit maart 1948:

“Het bekende Zaandamse houtbedrijf William Pont dat zich ook hier in Suriname gevestigd heeft, zetelt tot heden bij Poelepantje en werkt hier in Suriname met ongeveer 100 arbeiders. Wat betreft de vestigingsplaats komt grote verandering. De activa bij Poelepantje zijn verkocht en een gebied van 10 H.A. op Jagtlust is aangekocht. Genoemd bedrijf heeft namelijk het initiatief genomen om een zagerij en een fabriek voor houtbewerking en emballage aan de overkant van de Suriname rivier te beginnen”.

De krant roemt het initiatief, maar heeft wel twijfels over de haalbaarheid. Immers men zit niet meer in de stad en stafpersoneel en arbeiders moeten de rivier over. Het bedrijf is echter optimistisch en denkt aan uitgebreide woningbouw op Jagtlust voor directie en arbeiders. Er wordt zelfs gedacht aan mogelijke stadsuitbreiding, een soort dubbelstad van Paramaribo.

Een jaar later bezoekt nieuwsblad De West het nieuwe bedrijf, Er is veel tot stand gebracht:

“Een flinke steiger, een reuze kraan voor het hijsen der houtblokken enz. trokken onze aandacht. Maandelijks exporteert  De Nieuwe Onderneming tussen de twee en driehonderd ton hout middels de schepen van de K.N.S.M. Achter het vishuis aan de Saramaccastraat heeft men de beschikking gekregen over een terrein, waar een houtmarkt begonnen zal worden. Een moderne kistenfabriek kan alle exporteurs van citrusvruchten met gemak voorzien van de nodige kratten. Op Jagtlust werken 271 arbeiders van Creoolse, Hindostaanse en Indonesische afkomst. Telt men de werknemers, die op kantoor werkzaam zijn en de bosarbeiders op, dan komt men ver boven de driehonderd werkkrachten.”

Maar de economie loopt terug, er komen bezuinigingen en in 1952 wordt melding gemaakt van arbeidsonrust bij de firma en in maart 1954 is er het definitieve einde voor het houtbedrijf:

“De Nieuwe Onderneming te Jagtlust zal gelikwideerd worden ingevolge een besluit van de Raad van Commissarissen van de NV Houthandel Maatschappij voorheen William Pont. De redenen zijn economische en technische moeilijkheden. De firma Bruynzeel heeft een bod gedaan op het bedrijf”.

Op Jagtlust is, ondanks de overname door Bruynzeel, het avontuur voorbij. In oktober 1954 meldt de krant:

“Bij Bruynzeel zijn de fundamenten gestort voor de uitbreiding der vloerenfabriek. Het fabrieksgebouw van de Nieuwe Onderneming zal van Jagtlust overgebracht worden naar Beekhuizen.”

Dus terug de rivier over en voorlopig geen dubbelstad in de Commewijne.

Jacob van der Burg.

DE SPIN ANANSI EN OTTO STERMAN.

Toen ik onlangs las over “Het grote Anansiboek” van oud-president Johan Ferrier, kwamen bij mij de herinneringen boven aan die spin en meteen ook daarbij nog een naam: Otto Sterman. Want niet alleen in Suriname groeiden vele kinderen op met de verhalen van die slimme spin, ook in Nederland was het beestje geen onbekende, Dit dankte het voornamelijk aan de verhalen, zoals die in de vijftiger jaren op radio en televisie verteld werden door Otto Sterman. In gedachten hoor ik nog zijn donkere warme stem en speciale taalgebruik.

Veel bijzonderheden kon ik me verder niet herinneren, maar internet bood uitkomst, zowel wat betreft Anansi als Otto Sterman.

De oorspronkelijke Anansiverhalen komen uit Ghana in West-Afrika. Met de slaventransporten, van de zestiende tot ver in de negentiende eeuw, gingen de Anansiverhalen mee naar de Nieuwe Wereld. Daar waren uitingen van de eigen cultuur van de Afrikanen verboden, maar de Anansiverhalen konden overal stiekem verteld worden. Op deze wijze gaven de verhalen troost en waren tegelijk een vorm van verborgen protest. Ook kreeg de zwakke maar slimme spin een tegenstander, namelijk de sterke maar domme tijger. Het is niet moeilijk om in de rol van de spin de slaven terug te vinden en in het karakter van de tijger de onderdrukkers. In de loop van de tijd veranderden de verhalen en gingen de scherpe kantjes er wat af. Hoewel oorspronkelijk niet bedoeld voor kinderen, bleken ze voor hen toch erg leerzaam. Net als de meeste dierenfabels bevatten ze een vorm van lering en vermaak.

Hoewel ik me Otto Sterman alleen nog herinner als verteller (Oom Otto) op de televisie, doe je hem zeer tekort als dat het enige is. Zijn rol is veelzijdiger en belangrijker dan alleen die van verhalenverteller voor kinderen.

Otto Sterman werd op 7 mei 1913 in Amsterdam geboren als zoon van een Hollandse moeder en een Antilliaanse vader. Hij was de eerste gekleurde ster in het Nederlandse toneel. Vanaf 1935 tot 1947 combineerde hij zijn werk als gymnastiekleraar en masseur met toneelspelen. Als acteur werd hij lange tijd voornamelijk gekozen om zijn huidskleur; hij speelde de donkere chauffeur, de aanvoerder van de negers, de Arabische koopman, etc. De oorlog en zijn ervaringen met de zwarte bevrijders maakten Otto ervan bewust dat zijn toneelrollen discriminerend waren. Aan zijn groeiende bewustzijn van discriminatie gaf hij gehoor door als voordrachtskunstenaar tegen kolonialisme en racisme in Nederland te strijden.

Vanaf 1952 trok hij het land in met soloprogramma’s waarin zijn afkomst en donkere huidskleur een belangrijke plek innamen. Hij gaf zijn programma, titels als: Ik ben een neger, De neger speelt en Alleen voor blanken. Bij de jonge televisiekijkers werd hij bekend als de verhalenverteller oom Otto. Naast zijn radio- en televisiewerk speelde Sterman mee in diverse films zoals “Wan Pipel” van Pim de la Parra en “De Johnsons” van Rudolf van den Berg. Otto Sterman werd 84 jaar.

Jacob van der Burg

DE VOLKSTELLING VAN 1921 EN HET EMANCIPATIEREGISTER VAN JAGTLUST. (1863).

In 1921 werd bij een volkstelling de gehele bevolking van Suriname in kaart gebracht. Van iedereen werden naam, geboortejaar en adres genoteerd. Er waren al eerder tellingen geweest, maar niet één betreffende de gehele bevolking. Dit had ook te maken met het feit dat slaven geen achternaam mochten hebben en uiteindelijk pas geregistreerd werden toen ze bij de afschaffing van de slavernij een achternaam moesten kiezen.

Het was bekend dat na de periode van Staatstoezicht (1863-1873) de meeste vrijverklaarden de plantages verlieten. Met de gegevens van het emancipatieregister van Jagtlust (1863) heb ik voor dit artikel gekeken welke achternamen in 1921 nog bestonden en waar nakomelingen van de ex-slaven woonden.

Het bleek dat van de namen uit het register van 1863 (mijn artikel van 15-07-2017) nog slechts 30 % in gebruik was. Tevens bleek maar een enkeling op een plantage te wonen.

Hieronder staan de resultaten van de vergelijking, waarbij aangegeven is hoeveel personen er in 1921 die naam droegen en in welk district ze woonden. Ook de straatnamen zijn bekend, maar worden hier niet vermeld om het overzicht beknopt te houden.

BLANKOT:  Boven Suriname (2).

BLINKERT:  Paramaribo (7).  Marowijne (1).

BOSCH:  Paramaribo (8).  Beneden Para (1).

BRUNSWIJK:  Paramaribo (3).  Beneden Para (2).

CASTELEN:  Paramaribo (12).  Beneden Para (1).

DAP:  Paramaribo (5).  Beneden Saramacca (6).  Marowijne (4). Boven Para (1).

DUIKELAAR:  Paramaribo (2).  Boven Suriname (1).

GARO:  Beneden Para (1).

GONDEL:  Paramaribo (2).  Beneden Commewijne (1).  Cottica (1). Nickerie (1).

GRAM:  Paramaribo (1).  Beneden Para (2).  Beneden Suriname (1).

GROENHART:  Paramaribo (16).  Beneden Para (17).  Boven Para (1). Beneden       Commewijne (2). Marowijne (4). Beneden Suriname (4).

GROOT:  Paramaribo (1).

HAGEN:  Paramaribo (2).

HOUTSNEE:  Paramaribo (7).

JUNKERS:  Paramaribo (8).  Beneden Para (1).  Beneden Saramacca (1).

Beneden Suriname (1).

KLETTER:  Paramaribo (13).

KREKKO:  Paramaribo (4).  Boven Suriname (4).

LEEUWIN:  Paramaribo (17).  Beneden Commewijne (2).  Coronie (1).

Beneden Suriname (1).

MAR:  Paramaribo (1).  Beneden Commewijne (5).

POTAL:  Beneden Para (1).

REUKEL:  Paramaribo (2).

RIJAARD:  Paramaribo (1).  Marowijne (1).

ROZENGAARD:  Paramaribo (1).

SEINPAAL:  Paramaribo (12).

VEEN:  Paramaribo (3).

VONSEE:  Paramaribo (5).

WAN:  Paramaribo (5).

WONDS:  Paramaribo (3).

N.B. In het emancipatieregister van 1863 kwamen de volgende namen op meer plantages dan alleen Jagtlust voor: Bosch, Garo, Groenhart, Houtsnee en Veen.

Jacob van der Burg.

DE OPKOMST VAN EEN GEKLEURDE ELITE IN SURINAME, 1800-1863.

Bovenstaande tekst was de titel van een boeiende lezing die Mevrouw Ellen Neslo vrijdagavond 16 februari hield in het gebouw van vereniging “Ons Suriname” in  Amsterdam. Dit is ook het onderwerp waarop ze in 2016 promoveerde aan de Universiteit Utrecht. Hieronder een kort verslag van haar verhaal, aangevuld met andere gegevens uit haar proefschrift.

Bij een speurtocht naar haar voorouders – Mevrouw Neslo wist dat ze slaven in haar familiegeschiedenis had – deed ze een onverwachte ontdekking. Altijd had ze aangenomen dat haar voorouders pas “vrijgemaakt” waren bij de afschaffing van de slavernij in Suriname (1863). Het bleek echter dat er al rond 1800 familieleden waren die tot de “vrije stand” behoorden. Reden voor haar om zich wat meer in dit onderwerp te gaan verdiepen. Wat ze ontdekte was dat niet alleen de groep van slaven die eerder dan de afschaffing van de slavernij de vrijheid hadden verkregen, groter was dan gedacht, maar ook dat velen van hen tot een gegoede klasse behoorden.

Vaak vervulden ze belangrijke functies binnen de economie van de stad, met name als ambachtslieden en kooplui. Maar er zijn ook voorbeelden van vrijen die door studie het tot hoge posities  brachten, zowel in Suriname als in Nederland. Bovengenoemde zaken waren eigenlijk nauwelijks terug te vinden in eerdere beschrijvingen over de samenleving in Paramaribo.

Aan de hand van individuele voorbeelden, maar ook met statistische gegevens lichtte ze dit verder toe.

Juridisch gezien kende de kolonie Suriname twee typen slaven: privéslaven en plantageslaven. Privéslaven behoorden tot het persoonlijk bezit van een vrij persoon. Plantageslaven behoorden tot het onroerend goed van een plantage. In de kolonie kwamen bovendien ook lands- of gouvernementsslaven voor. Zij waren bezit van de koloniale overheid en voerden werkzaamheden in openbare ruimten uit of werden aan particulieren verhuurd.

In Paramaribo waren slaven over het algemeen huisslaven of verhuurden zij zich als ambachtsman of wasvrouw of verkochten hun waar op markten. Als slaven zich verhuurden voor werk spraken ze met hun meester af dat ze wekelijks een vast bedrag zouden afdragen. Verdienden ze meer, dan konden ze het meerdere houden en bijvoorbeeld sparen voor hun vrijheid. Dit was één van de redenen waarom slaven in de stad meer mogelijkheden hadden zichzelf vrij te kopen. Vaak zag men dat een vrijgekochte man/vrouw zelf één of meer slaven kocht van gespaard geld en daarna door spaarde om de door de overheid geëiste geldelijke bijdrage tot vrijmaking van die slaven bijeen te brengen.

Het onderzoek van mevrouw Neslo betreft de vrije niet-blanke bevolking van Paramaribo.

De vrije niet-blanke bevolking bestond uit verschillende subgroepen. Ten eerst was er de groep van “vrijgelatenen” of “gemanumitteerden”. Zij waren in slavernij geboren en naderhand vrijgemaakt. Voor hen golden, ondanks dat ze vrij waren, verschillende beperkende regels. Een tweede groep vormden de “vrijgeborenen”. Zij waren in vrijheid geboren en hadden dezelfde rechten als de blanken in de kolonie. Binnen genoemde subgroepen maakte de overheid onderscheid tussen kleurlingen en zwarten. Sommige beperkende maatregelen golden niet voor “kleurlingen”.

Dan nog enkele cijfers.

In 1862, kort voor de afschaffing van de slavernij, waren er in totaal 15.510 vrije personen in Paramaribo, waarvan 13.310 vrije niet-blanken (87%). In de stad verbleven toen 5.156 particuliere slaven.

Totaal waren er toen in Suriname rond de 34000 slaven op een bevolking van bijna een half miljoen. (Diverse auteurs geven soms verschillende cijfers).

Eén van de conclusies van Mevrouw Neslo is dat de vrije niet-blanke bevolking van Paramaribo niet lijdzaam de afschaffing van de slavernij heeft afgewacht, maar al voor die tijd een actieve en vooraanstaande rol in de veranderende samenleving heeft gespeeld.

Persoonlijk (jvdb) ben ik beter gaan begrijpen waarom ook ex-slaven soms zelf ook weer slaven hadden. Een feit dat vaak gebruikt wordt in de slavernijdiscussie om de blanken vrij te pleiten. Ik begrijp dat in de meeste gevallen dit een tussenstation was in het traject tot vrij kopen.

N.B. Het proefschrift van mevrouw Neslo bevat uiteraard veel meer materiaal dan hier geschetst en is een aanrader voor iedereen die zich meer in ons koloniale verleden wil verdiepen.

Jacob van der Burg.

HET EERSTE SURINAAMSE SCHOOLBOEK OVER DE GESCHIEDENIS VAN DE KOLONIE SURINAME.

In 1863 verscheen bij een Amsterdamse uitgever het boek “Beknopte geschiedenis der kolonie Suriname, voor de meer gevorderde jeugd”. De schrijfster was Maria Vlier, onderwijzeres in Paramaribo. In haar voorwoord verantwoordt zij haar keuze door te stellen dat het haar “meermalen leed heeft gedaan, kinderen van 14 en meerdere jaren de geschiedenissen van vreemde volken te hooren verhalen, terwijl zij die van hun eigen land volstrekt onbedreven zijn, omdat de geschiedenis van Suriname, uit gebrek aan een daartoe strekkend schoolboek, niet onderwezen wordt.”

Maria Vlier ( geb. Paramaribo 19-3-1828 – gest. Paramaribo 8-6-1908 ) was de dochter van Nicolaas Vlier, jurist, politiecommissaris en plantage-eigenaar, en Anna Heuland. Moeder Anna was als slavin geboren en pas in 1816 vrijgemaakt. Ook Maria’s overgrootmoeder van vaderszijde was als slavin geboren. Het gezin behoorde tot de gekleurde elite van Paramaribo.

In 1844 kwam Maria met haar vader naar Nederland om een opleiding te volgen. Vier jaar later legde ze in Paramaribo het vereiste examen voor onderwijzeres af – ze was inmiddels twintig jaar. Daarna opende ze een meisjesschool en ging wonen aan de Gravenstraat in het centrum van Paramaribo.

Maria Vlier was het er vooral om te doen de schoolkinderen van Suriname te informeren over de geschiedenis van hun eigen land. Ze schreef niet negatief over de koloniale overheid. Als inwoner van Suriname moest ze daar ook voorzichtig mee zijn. Niettemin durfde Maria de slavenhandel misdadig te noemen en beschreef ze slaven als ‘arme mensen’ – ‘arm’ in de betekenis van ‘onfortuinlijk’.

Maria Vlier schreef dus het eerste Surinaamse lesboek over de geschiedenis van het land. Zowel bij haar dood in 1908 als bij haar honderdste geboortedag besteedden de Surinaamse kranten aandacht aan Maria Vlier. Haar verdiensten werden uitgebreid geroemd. Toch onderging Maria Vlier hetzelfde lot dat vele

leden van de gekleurde elite van Paramaribo overkwam: na verloop van tijd werd ze niet meer als zodanig herkend en ging men er klakkeloos vanuit dat ze van Nederlandse komaf was. Het ‘Koloniaal Nieuws- en Advertentieblad Suriname’ schreef in 1928 dat haar ouders uit Europa afkomstig waren. Zelfs Anton de Kom schijnt niet meer geweten te hebben wie er achter de naam Vlier schuilging, gezien de manier waarop hij haar naam in zijn boek ‘Wij slaven van Suriname’ uit 1934,weergeeft als Mej. M.L.E. v.d. Vlier.

(Bron: Steven Hagers, Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland.)

Jacob van der Burg.