DE ONGELUKSREIS VAN HET IMMIGRANTENSCHIP VOORWAARTS (1894).


Op 9 augustus 1890 arriveerde in Paramaribo de eerste Javaanse immigranten om als contractarbeider te gaan werken op Mariënburg.
Het zou tot 1894 duren voor er weer een groep Javanen naar Suriname kwam. In tegenstelling tot die eerste reis, waarbij Amsterdam als tussenhaven dienst deed, was dit een rechtstreekse reis. Men was dus veel langer aan één stuk door op zee. De aanloop tot reis begon op Java al onder minder gunstige omstandigheden. Van tevoren hadden de toekomstige contractarbeiders al geruime tijd, met veel mensen bij elkaar, in het depot op vertrek gewacht. Men wist weinig van het land waar men naar toe ging en ook niet hoe lang de reis zou duren. En wat kleding betreft waren de mensen alleen ingesteld op warme streken. Vanuit verschillende vertrekpunten was men aan boord gekomen. De medische keuring vooraf was gedeeltelijk verricht door ondeskundig personeel. De ruimte waarin men vervoerd werd was niet, zoals vereist, geïnspecteerd. De kapitein had alleen de accommodatie voor passagiersvervoer laten zien. Maar de Javanen werden vervoerd in het aangepaste ruim van het passagiersschip. Toen één van de inspecteurs naar de ruimte voor de contractanten wilde kijken, was dit niet goed mogelijk omdat het schip, vlot moest vertrekken! Maar rampzaliger nog waren de omstandigheden onderweg.

Hieronder een verkort verslag uit de Nederlandse krant NRC over wat men bij aankomst in Suriname aantrof.

“In de avond van zondag de 17e juni liet ter rede van Paramaribo de VOORWAARTS (opm: stoomschip van de Stoomvaart Maatschappij Nederland) het anker vallen. Het schip had 50 dagen reis van Batavia komende, van waar het met 593 emigranten was vertrokken. Dinsdags de 19e juni, ’s morgens, zijn de Javanen geland en naar het koelie-depot gebracht. Een aantal hunner werd vandaar naar het hospitaal, of dadelijk van boord naar het hospitaal geëvacueerd. Zeer velen waren zo zwak dat zij gesteund moesten worden. Het was alsof men een troep Russische bannelingen op reis door Siberië zag trekken! Ze vielen in het depot als uitgehongerde wolven aan op het brood en de beschuit, voor rekening van het immigratie-departement hun gegeven, hoewel hun vóór dat zij het schip verlieten zeker wel voedsel zal zijn verstrekt.
Op reis stierven 33 personen. De dag van aankomst stierven er nog 3 aan boord. Het aantal zieke Javaanse emigranten in het militair hospitaal was op 21 juni 115, terwijl toen aldaar waren overleden 6, en nog een 6-tal stervende waren. Meest al de zieken lijden aan beri-beri, de overigen aan diarrhaea (opm: diarree), uitputting en andere lichte ongesteldheden.
Aan boord bestond de voeding uitsluitend uit rijst, afgewisseld door rijst met gedroogd vlees en rijst met vis; van brood of beschuit geen sprake. De beide dokters, die door het immigratie-departement hier met het onderzoek van de levensmiddelen enz. aan boord belast werden, verklaarden dat het vlees bedorven was. Ofschoon er een waterdistilleertoestel aan boord was, is dat nimmer in werking gebracht, omdat, naar de gezagvoerder zegt, er drinkwater genoeg in de bakken was. Waswater is niet aan de immigranten verstrekt; zij mochten zeewater gebruiken, waartegen zij bezwaar hadden, zodat er niet of zeer weinig gebaad is.
Een kraamvrouw aan boord verklaarde dat zij met veel moeite een weinig waswater had gekregen.
Van ventilatie anders dan door de gewone luchtkokers was er geen sprake. Uit de logies der immigranten kwam een ondraaglijke stank.
Wollen dekens zijn niet voor de immigranten verstrekt; de weinige dekens die de gezagvoerder aan boord had, heeft hij evenwel uitgedeeld.
De dokter aan boord, een man die verleden of voorverleden jaar gepromoveerd is, is nooit te voren op Java geweest, doch heeft één of twee reizen meegemaakt per één der boten van de Kon. West-Indische Maildienst van Amsterdam, over Suriname, naar New-York en terug. Door middel van geïmproviseerde tolken moest de dokter met de zieken spreken.
Van ziekenregisters, voorschriften, reglementen enz. was geen spoor aan boord te vinden. Uit goede bron verneem ik bovendien dat bij het verlaten van Batavia geen voorschriften zijn gegeven omtrent drinkwater, lichaamsreiniging, luchtverversing, enz, enz.

Aan de dokter wordt als regel NLG 1,50 toegelegd als premie voor iedere immigrant die behouden overgebracht wordt. De gezagvoerder krijgt daarvoor NLG 3.

Bij emigratie van arbeiders uit Brits-Indië is het anders. Er bestaan zeer strenge voorschriften, door het Brits-Indisch gouvernement vastgesteld, omtrent voeding, drink- en waswater, ruimte, ventilatie, wollen dekens enz. Een schip dat Brits-Indische arbeiders hier in dezelfde omstandigheden zou overbrengen als de VOORWAARTS deed, zou zonder twijfel aan de ketting gelegd worden en de dokter en gezagvoerder zouden onmiddellijk eenvoudig op eis van de Britse consul in arrest genomen zijn.

Dat de autoriteiten in de kolonie alles doen wat mogelijk is om hulp te verschaffen, dat zwakken en zieken de vereiste goede zorgen niet ontberen, staat vast; de chef van het militair hospitaal en de overige officieren van gezondheid zijn vol toewijding, doch men was er op ingericht noch verdacht zo’n hoop uitgeteerde mensen te zien aankomen. Het hospitaal is dan ook overvol. De ambtenaar die aan het hoofd van het immigratie-departement staat geeft alle waarborgen voor een volledig onderzoek naar de redenen die tot de mislukking geleid hebben zomede dat recht geschiedt.”        

Tot zover de NRC.

Er werd inderdaad een uitgebreid onderzoek ingesteld. In afwachting daarvan werd de kapitein van het gezag over de Voorwaarts ontheven en werd hem verboden Suriname te verlaten. Aangezien eventuele strafbare feiten buitengaats waren begaan werd, na onderzoek, de zaak overgedragen aan de Nederlandse justitie.

De minister van justitie, in wiens handen de stukken gesteld werden, vond, in overeenstemming met het advies van de officier van justitie en van de procureur-generaal te Amsterdam, geen aanleiding tot strafvervolging van schipper en scheepsarts omdat opzet moeilijk te bewijzen zou zijn!  

Wel besloot de gouverneur van Suriname om de aan de gezagvoerder en de scheepsarts toegezegde premies respectievelijk f 3 en van f1,50 voor iedere levend te Paramaribo ontscheepte immigrant, niet uit te keren. Ook werd van de afgesproken vrachtprijs een bedrag van 8000 gulden niet uitgekeerd aan de maatschappij van het schip.

Tenslotte werd de aanbeveling gedaan het verdere vervoer van Javanen onder dezelfde condities uit te voeren als die van de Brits-Indische contractanten.

Een direct gevolg was bovendien dat besloten werd de reis vanuit Java weer via Amsterdam als tussenhaven  te laten verlopen.

N.B. : Over de aantallen slachtoffers worden in de literatuur verschillende cijfers gevonden. Ik heb me gericht naar het officiële  Koloniale Verslag.

Jacob van der Burg.

 

JOHAN FRIEDRICH KNÖFFEL EN DE KNUFFELSGRACHT.

Bovenstaand diorama behoort tot de collectie van het Rijksmuseum in Amsterdam en is ook terug te vinden in het boek ‘Ketens en Banden, Suriname en Nederland sinds 1600’ (Uitgave Rijksmuseum/Van Tilt). Het diorama, voorstellende een gedeelte van de Waterkant met de uitmonding van de Kuffelsgracht is gemaakt door de schilder Hendrik Schouten in 1820. Dit gebeurde in opdracht van de Britse handelaar William Leckie. Deze bewoonde het grote huis met de groene luiken, rechts van het midden. Het pand geheel links is herberg de Zwaan, lange tijd eigendom van Johan Friedrich Knöffel. De smalle gracht rechts daarvan-op het diorama moeilijk te zien-is naar hem Knuffelsgracht genoemd. Bovenstaande informatie is afkomstig uit het eerder genoemde boek.

Een andere bron, De Suriname Heritage Guide, duidt het op één na laatste huis links als dat van Knöffel aan. Op die site van de Guide zijn meer bijzonderheden over Johan Friedrich Knöffel te vinden.

Johan Friedrich Knöffel werd in 1747 de eerste eigenaar van Plantage Frederiksdorp. Hij was afkomstig uit Pommeren en was samen met zijn broer als soldaat naar Suriname gekomen. Ook de gronden van Buitenrust en Johan Margaretha waren in zijn bezit. Hij had geen wettige kinderen, maar had in Suriname wel een gezin opgebouwd in concubinaat met zijn slavin Grietje. Ze kregen twee dochters. Voor zijn kinderen moest manumissie worden aangevraagd. Voor hun opleiding werden ze naar Nederland gestuurd. Na het overlijden van Knöffel in 1768 erfden ze een gedeelte van zijn bezit.

Frederiksdorp was oorspronkelijk een koffieplantage, maar in de tweede helft van de 19e eeuw werd op cacao overgeschakeld. Daar kwam een eind aan door de beruchte krullotenziekte in 1905. De productie liep toen drastisch terug. Rond 1927 was de plantage geheel verwaarloosd. Nadien is de plantage nog enkele keren in andere handen overgegaan.

In 1976 werd de plantage gekocht door de Nederlander Ton Hagemeijer.

Hagemeyer kocht de kleinlandbouwers uit, zodat die gronden weer één werden met de plantage. Hetzelfde deed hij met de woning waarin eerder een politiepost was gevestigd. Met financiële steun uit Nederland, in de jaren 2002 en 2003 was hij in staat oude gebouwen te renoveren. In de plantagegebouwen werd een klein maar exclusief hotelletje begonnen.

In 2016 werd Frederiksdorp opgekocht door Sirano Zalman, eigenaar van Access Travel Suriname en Danpaati River Lodge.

Het is inmiddels een mooi resort geworden met fraai gerestaureerde koloniale woningen, maar ook met moderne logeergelegenheid. Het geheel maakt deel uit van een groter plan voor toeristische activiteiten in dit deel van Commewijne.

Jacob van der Burg

DE  OUDSTE GESCHIEDENIS VAN HET ONDERWIJS IN SURINAME.

In 1809 arriveerde vanuit Nederland de Surinaamse vrije kleurling Johannes Vrolijk. Hij had in Nederland een opleiding tot schoolmeester gevolgd en aangekomen in Suriname stichtte hij, als eerst Surinamer, een eigen school. Naar het lijkt had de school een goede naam. Over zijn verdere leven is weinig bekend. Johannes overleed, zo blijkt uit oude kranten, 46 jaar oud, in 1831. Of hij tot het einde succesvol is geweest is moeilijk na te gaan. Wel valt ook te lezen, dat al een jaar eerder zijn huis verkocht moest worden en na zijn dood zijn boedel per veiling werd verkocht.

De geschiedenis van het onderwijs in Suriname begon al veel eerder. De eerste (privé) school in de kolonie werd in 1677 opgericht door de Joodse gemeenschap op Joden Savanne. Enkele jaren later, namelijk in 1682, dus al 15  jaar na de stichting van de Nederlandse kolonie, kreeg de Gouverneur de bevoegdheid om uitgaven ten behoeve van onderwijs te doen. Drie jaar later kwam die eerste schoolmeester er echt. Om de kosten voor het Gouvernement te drukken was die schoolmeester, Walthereus van Aernhem, tevens koster, voorzanger en voorlezer van de Gereformeerde kerk. Dat alles voor driehonderd gulden per jaar. Onderwijs was in die tijd, en gedurende een lange tijd daarna, nauw verbonden met de kerk. Meerdere schoolmeesters volgden. Het onderwijs stond niet op een hoog peil. Vaak waren de schoolmeesters verlopen planters, afgedankte militairen en vreemdelingen die de taal niet eens machtig waren.

In het begin was de school er alleen voor kinderen van kolonisten, later kwam er een Franse school. In 1760 werd ook een school opgericht voor vrije “mulatten en negers”. Slavenkinderen kregen nog geen onderwijs. Toen echter in 1760 met de bosnegers(Aukaners) op de houtplantage Auka vrede werd gesloten, werden vier zonen van de opperbevelhebbers als gijzelaars in Paramaribo vastgehouden en ontvingen ze schoolonderwijs met goed resultaat. Eén van hen werd zelfs naar Nederland gezonden, waar hij een opleiding tot schilder ontving. Daarna keerde hij als een invloedrijk man terug naar Suriname.

In 1817 werden enkele Algemene Schoolwetten van kracht, met ondermeer de bepaling dat “alle wreede en onverstandige lighamelyke kastydingen uitdrukkelyk verboden” waren. Alleen matig gebruik van de roede en een eindje touw werden toegelaten.

Vanaf 1844 gaven Moravische broeders al onderwijs aan slavenkinderen in Paramaribo en de districten. Op plantage Beekhuizen werd een schooltje geopend waar rond de tien jongens tot plantage-onderwijzer werden opgeleid. Deze kwekelingen waren slavenkinderen die door de eigenaars voor deze opleiding waren afgestaan. De overheid had heel lang onderwijs aan slavenkinderen verboden. Maar met afschaffing van de slavernij  in zicht hoopte men door het geven van onderwijs vanuit Christelijke principes, de kinderen ook eerbied voor het door God gegeven gezag (lees de koning) bij te brengen. Nadat in 1863 de slavernij werd afgeschaft en het tienjarig Staatstoezicht werd ingesteld, kwam er ook de verplichting tot onderwijs voor de Creoolse kinderen. Vanaf 1864 kregen de Moravische zending en de Rooms-katholieke missie overheidssubsidie voor het onderwijs. Drie jaar later volgden er openbare scholen.

In 1876 werd in Suriname de algemene leerplicht ingevoerd voor kinderen van zeven tot twaalf jaar. De leerplicht leverde problemen op voor kinderen van Hindostaanse immigranten omdat tien- tot vijftienjarigen op grond van het contract van hun ouders (!) verplicht waren als halve kracht te werken. In 1890 werden er rond de plantages speciale koeliescholen opgericht. Het onderwijs hier werd verzorgd door slecht opgeleide leerkrachten en een echt succes werd het niet. In 1906 werden de scholen weer opgeheven.

In 1920 volgde er een financiële gelijkstelling van openbaar en christelijk onderwijs. Dit hield in dat wanneer ergens een christelijke school werd gesticht, een openbare school in principe voor dezelfde vergoeding in aanmerking kon komen, bij voldoende leerlingen.

De Hindostaanse bevolkingsgroep was een belangrijke “motor” bij een forse toename van de openbare scholen. De meeste Hindostanen voelden er weinig voor om de katholieke en christelijke scholen te bezoeken. Het openbaar onderwijs gaf ze meer vrijheid. Ook veel Javanen en Creolen, die geen Christenen waren, gingen de openbare scholen bezoeken.

Geleidelijk nam het aantal lagere scholen toe.

In 1890 waren er 63 lagere scholen, waarvan 18 openbaar.

In 1930 111 waarvan 41 openbaar

In 1950 129 waarvan 45 openbaar.

Enkele van deze lagere scholen kregen er in de loop van de tijd enkele leerjaren bij waardoor zij een ulo-(uitgebreid lager onderwijs) en zelfs mulo-school (meerder uitgebreid lager onderwijs) werden. In 1887 werd de eerste driejarige ulo geopend, de Hendrikschool, die in 1899 werd uitgebreid tot een mulo, gelijkwaardig aan de driejarige hbs in Nederland. Verder werden de volgende scholen in ulo’s omgezet: Van Sypesteynschool (1899), de RK Paulusschool voor jongens (1902, in 1914 mulo), in 1920 kwam er voor meisjes de RK Louiseschool (mulo). De Hernhutters startten in 1914 de Delecta ulo-school en in 1927 de Graaf von Zendorf mulo-school.

(Bronnen o.a. : Grepen uit de geschiedenis van het onderwijs in Suriname in de 17e en 18e eeuw, Fred Oudeschans Dentz; De geschiedenis van Suriname, Hans Buddingh; Tweehonderd jaar onderwijs en de zorg van de Staat, redactie P.Boekholt).

Jacob van der Burg.

“DE BOCHT VAN GUINEA”, ALMINA EN DE NEDERLANDSE SLAVENHANDEL.

Op veel plekken tref je in Nederland het opschrift “De bocht van Guinee ” aan. Dat kan zijn bij cafés en hotels, maar soms vind je het als straatnaam. Wat er achter die woorden schuil gaat is meestal niet bekend. Maar weinigen weten dat daarmee een kuststreek van Afrika wordt bedoeld. En nog minder is men er van op de hoogte dat in de nabijheid hiervan het beruchte slavenkasteel Elmina stond, waarvan de resten nog steeds te vinden zijn.

De oudste vermelding van de bocht, die ik kon vinden, was die in het boek “Naukeurige beschrijvinge der Afrikaensche  gewesten..”, verschenen in 1676. En wat betreft de opschriften weet Jacob van Lennep in een artikel over namen te vermelden (1868) dat er in 1700 in Amsterdam al twee matrozenlogementen waren met dat opschrift. Wie zich niet beperkt tot internet, maar zelf op zoek gaat in bibliotheken en archieven komt vast nog oudere vermeldingen en uitgebreidere beschrijvingen tegen.

Dat deed onder andere de journalist Marcel van Engelen. In 2013 verscheen zijn boek “Het kasteel van Elmina, In het spoor van de Nederlandse slavenhandel in Afrika”. Naast veel lezen over het onderwerp deed Van Engelen ook ter plaatse veel onderzoek en sprak met veel huidige bewoners van de streek.Heel in het kort vertelt zijn boek het volgende verhaal.

Elmina is gesitueerd in het huidige Ghana. Elmina werd gesticht door de Portugezen in 1482. In het gebied, over een lengte van tweehonderd kilometer, bevonden zich op een gegeven moment zo’n 75 handelsposten van o.a. Engeland, Portugal en Nederland. Van hieruit werd handel gedreven met het binnenland van Afrika. De voornaamste trekpleister in het begin voor de Europeanen was het goud, dat in de binnenlanden gedolven werd. In 1637 veroverde Nederland de handelspost, waar het kasteel van Elmina stond. Van hieruit werd veel handel met het binnenland gedreven. Toen er in Zuid-Amerika steeds meer kolonies werden gevestigd, ontstond de behoefte aan werkkrachten voor het plantagewerk in de kolonie. Er kwam toen een omslag in de handel met Afrika. Slaven werden het belangrijkste uitvoerprodukt aan die goudkust. Aan slaven was geen gebrek. In het binnenland voerden verschillende stammen geregeld oorlogen. Overwonnen vijanden werden gedood of als slaaf weggevoerd. Deze slaven verrichtten dan allerlei diensten voor de overwinnaars. Toen de Afrikanen in de gaten kregen dat Europese handelaars graag veel wilden betalen voor die slaven, vond er een omslag in de handel plaats. Voortaan werden vanuit het gebied vele slaven vervoerd richting Amerika. Eerst vervoerden de Nederlanders slaven voor werk in buitenlandse kolonies, maar toen Nederland eenmaal zelf ook uitgebreid bezit in Zuid-Amerika had, ging het richting de Nederlandse kolonies. Ook werd op Curaçao een slavendepot gevestigd, van waaruit andere kolonies werden voorzien. Op een gegeven moment kwam er in Afrika een einde aan  de voorraad slaven, die door oorlog was verkregen. Sommige stammen gingen nu expliciet op slavenjacht om zo gunstig handel te kunnen drijven.

Tegen het einde van de achttiende eeuw, had Nederland nog nauwelijks slavenschepen in de vaart. Veel planters in de West leden verlies en konden maar weinig nieuwe slaven kopen. In 1814 schafte Nederland de slavenhandel af, nadat Engeland dat al in 1807 al had gedaan. In 1872 raakte Nederland Elmina kwijt aan Engeland.

Enkele cijfers.

Tussen 1541 en 1866 zijn ongeveer 12,5 miljoen Afrikanen aan boord van Europese schepen vervoerd met als bestemming (voornamelijk) de Nieuwe Wereld. Van hen arriveerden bijna 11 miljoen levend op hun bestemming. Het sterftepercentage op de slavenschepen schommelde rond de 15%. Totaal waren er 35.000 slaventransporten. Tweederde van de verscheepte Afrikanen was man, een derde was vrouw. De snelste reis was drie weken, gemiddeld duurde een reis twee maanden. Bij één op de tien reizen vond een serieuze opstand plaats onder de Afrikaanse slaven. Het Nederlandse aandeel in de handel bedroeg ongeveer 5%.

Heel duidelijk is schrijver Marcel van Engelen erover dat de slaven meestal aangevoerd werden door rasgenoten. Jammer genoeg menen sommige mensen die vinden dat “het met onze rol in die zielige slavernij allemaal wel wat mee viel” hierin een extra argument te vinden voor hun gelijk. Wie het boek goed leest ontdekt dat het wel wat genuanceerder ligt.Net zomin als de Europeanen waren de Afrikanen heiligen. Er werden, evenals elders op de wereld, oorlogen gevoerd en tegenstanders gevangen genomen. Vaak werden deze tot slaaf gemaakt en gedwongen tot arbeid bij de overwinnaars. Toen in de bestaande handel met de blanken bleek dat deze slaven ook gebruikt konden worden als ruilmiddel, maakte men daar gebruik van. Toen eenmaal in de nieuwe wereld de plantagecultuur goed op gang was gekomen, ging er vandaar een prikkel uit naar Afrikanen om binnen hun eigen land op slaven rooftocht te gaan. Een grootste gedeelte wat er aan narigheid is gebeurd, begon pas op het moment dat de slaven aan de Nederlandse handelaars overgedragen werden voor vervoer naar de nieuwe wereld en daar onder slechte omstandigheden te werk werden gesteld. De verdienste van de schrijver is dat hij alle feiten heeft willen benoemen en niet bang was in één of ander ja/nee kamp ingedeeld te worden.

In zijn slotwoord schrijft Marcel van Engelen: “De Afrikaanse betrokkenheid doet niets af aan de verantwoordelijkheid van de Europeanen of het immorele karakter van hun daden. De Afrikaanse rol maakt de geschiedenis van de slavernij voor de slachtoffers en hun nakomelingen niet minder pijnlijk”.

Jacob van der Burg.

LIET NEDERLAND DE GOSLAR ZINKEN?

Iedereen die Suriname bezoekt is vertrouwd met het beeld van het wrak van het Duitse schip de Goslar, liggend in de Surinamerivier. In het kort is dit het verhaal.

Op 5 september 1939, vijf dagen na het uitbreken van de vijandelijkheden tussen Engeland en Duitsland, kwam een donker schip de Surinamerivier opvaren. Dit was het 6000-tons Duitse schip de Goslar. Het schip ankerde voor de kade van Paramaribo en de kapitein vroeg toestemming  met het schip in Suriname te blijven omdat hij, gezien de oorlogssituatie, de terugreis naar Duitsland te gevaarlijk achtte.

De toestemming werd verleend. Een deel van de bemanning  (Chinezen) was het hiermee niet eens en begon te muiten. Zij werden afgevoerd door de autoriteiten. Tussen de overgebleven bemanningsleden en sommige inwoners van Paramaribo, waaronder Politiecommissaris Van Beek, ontstond in de loop van de tijd een soort vriendschapsband.

Dit veranderde toen op 5 mei 1940 het Duitse leger Nederland binnenviel. Overeenkomstig de instructies begaf de commissaris zich naar het schip om de aanwezige Duitsers te interneren. Aangekomen op het schip bleek dat op order van de kapitein, men het schip water liet maken waardoor het onwrikbaar op de bodem van de rivier, net naast de vaargeul, terecht kwam. Dit kwam voort uit de opdracht van de Duitse regering dat een Duits schip niet in bruikbare staat in vijandelijke handen mocht vallen.De Duitsers werden geïnterneerd en pas na de oorlog vrij gelaten.

Nadien werden verscheidene plannen gemaakt en pogingen ondernomen het schip te lichten. Telkens zonder resultaat.

Het verhaal kreeg een aanvulling toen in 2017 een boek verscheen “De Goslar affaire”, geschreven door de arts/onderzoeker Nizaar Makdoembaks. De schrijver was als arts werkzaam geweest in de Bijlmer, maar na zijn vertrek daar heeft hij zich toegelegd op het schrijven van boeken over zaken die zijns inziens te weinig aandacht krijgen en vaak gerelateerd zijn aan machtsmisbruik en verdraaiing van feiten.

In zijn boek vermeldt hij de ontdekking dat er rond de Goslar iets vreemds aan de hand is geweest. Vanuit Nederland hadden alle autoriteiten in de door Nederland bestuurde gebieden een speciale boodschap gekregen. Dit betrof de aanwezigheid van vijandelijke schepen in de havens. Voorkomen moest worden dat de bemanning hun schip zou laten zinken om zodoende de activiteiten in de havens te belemmeren/ blokkeren. Makdoembaks ontdekte dat een dergelijke opdracht, op hoger bevel, nooit naar Suriname was gestuurd. Hij vermoedde dat Nederland een blokkade van de rede van Paramaribo door een scheepswrak juist een uitstekend middel vond om eventuele vijanden te verhinderen grootscheeps aan land te gaan. Zowel de Duitsers als de Nederlanders zouden aldus gebaat zijn bij het zinken van de Goslar.

Het boek werd op 5 december 2017 door de schrijver gepresenteerd. Hij verbond aan zijn verhaal de conclusie dat Nederland verantwoordelijk is voor het zinken van de Goslar en dat een eventuele berging door Nederland betaald zou moeten worden. In hoeverre dit reëel is moet blijken. Wel waarschuwde een aanwezige geoloog dat men voorzichtig moet zijn bij het lichten omdat dan de stroom in de rivier gewijzigd wordt en er mogelijk juist daardoor ondiepte in de vaargeul kan optreden.

Nu er in Suriname weer gepraat wordt over het uitdiepen van de dichtslibbende vaargeul, lijkt het verstandig ook deze mening mee te nemen.

Jacob van der Burg.

EEN VEE-TENTOONSTELLING OP JAGTLUST.

Via het Surinaams Museum vond ik op internet bijgaande foto, met als titel “Opening vee-tentoonstelling op Plantage Jagtlust”.  

De foto is gemaakt door Augusta Curiel (1873-1937). Samen met haar zuster Anna legde ze in het begin van de 20e eeuw het leven in Suriname vast. Augusta nam de foto’s en Anna was haar assistente. Anna heeft nog geprobeerd na de dood van Augusta de zaak voort te zetten, maar dit werd geen succes. Vlak voor haar dood (1958)  schonk Anna een groot aantal glasnegatieven aan het Surinaams Museum. In 2005 ontdekte de curator van het Tropenmuseum de ruim 500 glasnegatieven in het depot van het Surinaams Museum in Fort Zeelandia.

Wanneer deze foto precies is gemaakt is niet duidelijk. Ook verdere gegevens over de tentoonstelling op Jagtlust zijn niet terug te vinden. We moeten het doen met het onderschrift, waarin de namen staan van afgebeelde personen, waaronder de leden van de tentoonstellingscommissie en de jury. De derde persoon (zittend) van links wordt omschreven als Ella Talmer, maar ik ben er zeker van dat bedoeld wordt Ella Folmer. Zij was de vrouw van plantagedirecteur Tiddo Folmer. Toen de Folmers na de tweede wereldoorlog naar Nederland terugkeerden maakten hun verhalen mij als kind al nieuwsgierig naar Suriname. De overige dames en heren van commissie en jury worden ook met name genoemd. De Javaan op de voorgrond heeft geen naam, hoewel hij eigenlijk de hoofdpersoon was, omdat hij een gouden medaille won voor zijn inzending. En bijna helemaal rechts (staand) zien we de persoon die een zilveren medaille won. Ook hij heeft geen naam en wordt aangeduid als een koelie dominee van Jagtlust.

Waarschijnlijk mochten ze al blij zijn met dit hoge gezelschap op de foto te mogen!

Jacob van der Burg

HET GROOTSTE VLIEGTUIG TER WERELD BEZOEKT SURINAME.

In februari 2010 kreeg Suriname bezoek van het grootste vliegtuig ter wereld. Onder grote belangstelling landde het toestel, een Antonov, op de luchthaven. Hennah Draaibaar deed bij de NOS in Nederland verslag over deze gebeurtenis. Dit waren haar woorden.

“De stem van de journalist sloeg over toen hij aankondigde dat het grootste vliegtuig ter wereld op de luchthaven Johan Adolf Pengel was neergestreken. Suriname is in de ban van het toestel, waar zes tot acht touringcars in kunnen. Het Oekraïense vliegtuig, de Antonov An-225, heeft een lengte van 84 meter, zes motoren en een spanwijdte van 88 meter. Het is een vrachtvliegtuig dat momenteel vracht vervoert die nodig is voor het opzetten van een raffinaderij in Sao Paulo. Suriname had de eer om het vrachtvliegtuig te ontvangen, omdat het land in het hele Caribische gebied de grootste landingsbaan heeft. Deze landingsbaan is in de tweede wereldoorlog aangelegd door de Amerikanen om hier de grote Amerikaanse transportvliegtuigen te laten landen. Duizenden Amerikanen verbleven tijdens de oorlog in Suriname”.

Tachtig jaar eerder, in 1931, was het grootste vliegtuig uit die tijd ook op bezoek geweest in Suriname. Nog veel meer toeschouwers dan in 2010 waren toen aanwezig omdat het vliegtuig “landde” vlakbij Paramaribo op de Surinamerivier. Dat grootste vliegtuig was namelijk een watervliegtuig, de Dornier Do X.

Nadat de komst een aantal keren was afgelast vond de aankomst uiteindelijk plaats op 18 augustus 1931. In de Surinamer verscheen een uitgebreid verslag.

Hoewel het toestel pas rond half vijf werd verwacht, begaf een grote stoet belangstellenden zich al vanaf drie uur richting Combé, waar op een vliegveldje de officiële ontvangst van inzittenden van het toestel zou plaatsvinden. Het vliegveld, gelegen aan de Mahonielaan, was in feite een helling aan het water met daarachter een veldje met een paar loodsen. Kleine watervliegtuigen konden hier op eigen kracht aan land komen en doorrijden naar een plek voor stalling en onderhoud.

Op het vliegveld was het een drukte van belang. Autoriteiten van allerlei slag waren aanwezig. Ook de Duitse kolonie liet zich niet onbetuigd. De verslaggever verbaasde zich over het grote aantal Duitsers dat kennelijk in Suriname woonde! Rond half vijf klonk er geronk uit het Noorden en binnen enkele minuten dook het “monster” op boven Ma Retraite. Erg groot leek het toestel in de lucht niet. Dit veranderde toen de machine eenmaal geland was en er bootjes langszij kwamen om autoriteiten aan boord te brengen om commandant Ham met zijn bemanning te verwelkomen. De officiële ontvangst vond aan wal plaats in aanwezigheid van de `gouverneur, de Duitse Consul en het bestuur van de Duitse Vereniging.

Tot heel laat die dag werden aanwezigen in de gelegenheid gesteld het vliegtuig te bezichtigen. De verslaggever bleef zich verbazen over de afmetingen en inrichting. Hetgeen aldus werd verwoord:

“Lengte 42 meter (d.i. 2 meter meer dan de pastorie aan de Gravenstraat), hoogte 10 meter (d.i. een drieverdiepingsgebouw hier in de stad). In de hal binnenkomend heeft men links en rechts salonnetjes en suite, gemeubileerd met gemakkelijke fauteuils. Het perspectief in deze ineenlóopende vertrekken is reeds aanstonds verbluffend. Oordelend naar wat men buiten zag, verwacht men niet zulk een diepte. Nog sterker wordt het als men achter het laatste salonnetje naar boven klimt en op de staart komt te staan. Dan blijkt deze staart nog van een beduidende lengte te zijn en komt men tot de ontdekking, dat de staartvleugels de grootte hebben van de vleugels van een gewoon vliegtuig. En van vleugels gesproken. Onder de vóórvleugels kan men zich verplaatst wanen onder de overkapping van een plantageloods. En vóór het vliegschip staande ontwaart men dat de dikte van de vleugels voldoende is om een man, die juist uit  een luikje te voorschijn komt, de kans te geven er bijna rechtop in te staan. Zoo komt men van de eene verrassing in de andere bij dit technisch wonder, dat zich moeilijk in één blik laat omspannen. Behalve de passagiersverblijven vindt men er toiletgelegenheden, een keukentje, een radio-kamer (met peiltoestel) en opslagplaatsen voor benzine en vracht”.

De volgende dag, rond half negen vertrok het toestel weer. De zuiging tijdens het vaart maken op de rivier deed de marinetrap overstromen met een “sponsachtig bruin schuim”, waardoor kijkers zich ijlings uit de voeten moesten maken. Eenmaal opgestegen maakte het toestel een ruime bocht boven Meerzorg en verdween als een stipje richting Trinidad.

Hoewel er nog twee dezelfde toestellen zijn gebouwd, is de Dornier Do X nooit een commercieel succes geworden. Het toestel dat Suriname aandeed kreeg al in 1934 een plaatsje in het luchtvaartmuseum van Berlijn en werd verwoest bij een geallieerde luchtaanval op Berlijn in 1943.

P.S. Op bijgaande foto zien we tussen de wachtende hoogwaardigheidsbekleders fotografe Augusta Curiel en haar zuster Anna.

Jacob van der Burg

DE GENEESKUNDIGE SCHOOL VAN PARAMARIBO.

Toen in 1863 de slavernij werd afgeschaft, volgde er nog een periode van 10 jaar Staatstoezicht waarbij de vrijverklaarden nog verplicht werkzaamheden moesten verrichten. Omdat men wel zag dat daarna een tekort aan arbeiders zou ontstaan, sloot de Nederlandse regering een overeenkomst met de Britse regering om immigranten (veldarbeiders) over te laten komen. De eerste groep kwam in 1873 aan met de Lalla Rookh, kort daarop gevolgd door een tweede groep in 1874 en naderhand gevolgd door meerdere. Van de eerste groep stierven er in korte tijd 17% en van de tweede 19%. Dat was voor de Britse regering het sein om een waarschuwing aan Nederland te richten om een betere gezondheidszorg tot stand te brengen op de plantages in de districten. Daartoe werd op 1 april 1882 te Paramaribo een Geneeskundige School opgericht. Het was een kosteloze opleiding maar met de verplichting voor de afgestudeerden om daarna 6 jaar in een district te werken. Deze opleiding was geen volledige medische opleiding. Met het Surinaamse diploma mocht men alleen in West-Indië praktijk uitoefenen. In Nederland gaf het diploma wel recht om de studie af te ronden tot een volwaardig artsdiploma.

Over de start van opleiding is in de Surinaamse kranten van destijds weinig terug te vinden. Wel werd uitgebreid melding gemaakt van feestelijkheden toen de opleiding eenmaal een half jaar aan de gang was.

“Paramaribo den 30 September 1882.

Op gisteren avond ten zeven ure hebben de kwekelingen van de geneeskundige school alhier, vergezeld van het corps muzikanten van het Garnizoen, bij gelegenheid van het sluiten van het eerste semester, een optogt met fakkellicht gehouden onder den toevloed eener zeer groote menigte. In zeven rijtuigen gezeten begaf de stoet zich het allereerst naar het Gouvernementshuis, alwaar aan Z.E. den Gouverneur een ovatie en serenade werd gebragt uit erkentelijkheid voor de welwillende en krachtige medewerking aan de oprigting der school.  Na het gebruik van ververschingen begaf de stoet zich vervolgens naar de huizen van de heeren, die van belang waren voor de opleiding. Ten half elf ure had in de Gravenstraat het collation plaats door de kweekelingen aan den geneeskundigen inspecteur en hunne docenten aangeboden. De lokalen waren smaakvol versierd en helder verlicht. De disch was bekoorlijk aangerigt en de gasten hadden ruime keus van spijs en drank. De vrolijkheid van het feest werd door de uitvoering van verschillende muziekstukken door het militair corps verhoogd en eerst laat in den nacht nam het feest een einde.”

Totaal zijn er in de loop van de tijd ruim zeshonderd studenten ingeschreven geweest. De helft hiervan voltooide de studie in Nederland of Amerika.Ongeveer 10% was vrouw. De bekendste vrouw was ongetwijfeld SOPHIE REDMOND. Zij was de eerste afgestudeerde vrouwelijke dokter in Suriname. In de volksmond verwierf zij de erenaam ‘dokteres’. Sophie, geboren in Paramaribo op 14 januari 1907, was de dochter van de onderwijzer Philippus Redmond en Adolfina Herku. Na de lagere school, volgde ze de MULO. Haar vader zag graag dat zij onderwijzeres zou worden, maar ze liet zich er niet van weerhouden om arts te worden, ondanks de argumenten van haar vader dat zij als negermeisje nooit haar doktersbul zou halen. Ook de directeur van de Geneeskundige School weigerde haar aanvankelijk in te schrijven. In 1925 begon ze dan toch aan haar studie en in 1935 vestigde zij zich als particulier geneeskundige. Hiermee was zij de eerste Creoolse vrouw die aan de Geneeskundige School afstudeerde. Ondanks haar hoge opleiding bleef  ‘dokteres’ Sophie zichzelf; ze was er trots op een negerin te zijn. Zij zette zich ook in voor de positieverbetering van vrouwen en sociaal-zwakkeren in de samenleving. Redmond genoot populariteit vanwege haar voorlichtingsprogramma in de radiorubriek van de Geneeskundige Dienst ‘Datra mi wan aksi joe wan sani’ (‘Dokter mag ik u wat vragen?’). Met zelfgeschreven toneelstukjes, waarin zij vaak zelf een rol vervulde, zoals ‘Misi Jana e go na stembus’ (‘Juffrouw Jana gaat naar de stembus’) informeerde zij de gemeenschap. Deze toneelstukken waren een aanklacht tegen de maatschappelijke wantoestanden, vooral onder de minstbedeelden.

Bij het ontstaan van de Oost-West verbinding en de aanleg van vele airstrips, verviel de noodzaak tot een krachtige medische voorziening in de districten. Voor uitgebreide medische behandeling kon men naar Paramaribo. Ook de noodzaak tot opleiding van speciale districtsartsen verviel hiermee. In 1972 werd de school officieel opgeheven. Aan de Anton de Kom universiteit was inmiddels een  volwaardige medische opleiding gestart.

Met dank aan Frans Olmtak en Jules van Bochove voor hun documentatie.

Jacob van der Burg

DE VREDE VAN 10 OKTOBER 1760j

Het deze week op de dag van de Marrons herdachte vredesverdrag van 1760 had een lange voorgeschiedenis.

Vrij snel na het stichten van de kolonie Suriname gebeurde het geregeld dat slaven de plantage verlieten. Vaak was dit voor enkele dagen en meldden ze zich weer bij hun eigenaar. Soms werden ze dan niet al te gruwelijk gestraft. Dit gebeurde niet uit humane overwegingen maar omdat er anders werkkracht verloren zou gaan. Een grotere bedreiging waren de slaven die, eenmaal gevlucht, verder het bos introkken en daar dorpen stichtten, van waaruit ze geregeld overvallen pleegden op plantages in de omgeving. De dorpen van deze Marrons hadden uiteraard veel aantrekkingskracht voor slaven die definitief gevlucht waren. Doordat steeds opnieuw kleine groepjes vluchtende slaven zich bij de Marrons aansloten, was hun aantal rond 1750 tot ongeveer 3000 toegenomen. Geregeld voerden zij aanvallen uit op plantages in de omgeving om aan wapens en andere goederen te komen. Het Gouvernement zag wel dat het niet zou lukken de Marrons te verslaan. Bedreven als men was in een verdeel-en-heerspolitiek werd besloten tot overleg, met als doel beetje voor beetje greep te krijgen op verschillende groepen gevluchte slaven. Om dat te kunnen doen moest er met de Marrons gecommuniceerd kunnen worden. Hiervoor zocht men contact met een Marron die kon lezen en schrijven en brieven had verspreid ondertekend met Boston van Tampatij, maar in de mondelinge overlevering Bastion werd genoemd. Een gelegenheid tot contact deed zich voor toen in 1758 Tempatie-rebellen de plantage Palmenribo overvielen, samen met de Ndyuka (Marrons). Na de overval liet Bastion op de plantage een brief achter voor zijn voormalige eigenaar. Dit was het aarzelend begin van verder overleg. Van de kant van het Gouvernement werden afgevaardigd voor een eerste ontmoeting de slaven Coffy en Charlestown. In de periode daarna volgden lange onderhandelingen. Bastion maakte via brieven en gezanten duidelijk dat men in ruil voor vrede regelmatig goederen wilde ontvangen. Werktuigen, gereedschappen, wapens en luxe goederen, die zij voorheen tijdens aanvallen op plantages roofden. Van de kant van het Gouvernement werden ook de nodige eisen gesteld, maar uiteindelijk kon toch een vrede gesloten worden.

In het boek ‘Een zwarte vrijstaat in Suriname’ staat beschreven hoe het tekenen van de Vrede van 1760 verliep.

“Toen de hoofden gekomen waren, brachten de blanke onderhandelaars de afgesproken wijzigingen in het vredestraktaat aan. En toen alles in het Sranantongo voorgelezen en verduidelijkt was, vroegen ze aan de hoofden of zij alles hadden begrepen en nog steeds bereid waren deze vrede te tekenen en dan deze met een eed te bezweren. Zij antwoordden daarop dat ze dat wel wilden, maar dat de onderhandelaars ze op hun manier voor moesten gaan.

De Bakaa (blanken) legden toen de eed af. Daarna vroegen ze aan de Okanisi ook een eed af te leggen. Die verklaarden dat wel te willen doen, maar zij hadden van wat de Bakaa gezworen hadden niets begrepen. Ze konden de kracht of het effect van de eed niet beoordelen omdat ze het Nederlands niet machtig waren. Daarom wilden ze dat de Bakaa ook op hun manier zouden zweren. De onderhandelaars accepteerden dit. Daarop nam kapitein Kofi een scheermes waarmee hij de Bakaa en de Okaanse hoofden in de linkerarm sneed. Een andere hoofdman kwam vervolgens met een linnen lapje bij elk van de Bakaa en hoofden. Hij depte het doekje in het bloed. Terwijl hij dat deed zwoor hij dat de Okanisi nu in vrede wilden leven en dat zij nooit of te nimmer enig kwaad tegen de Bakaa zouden ondernemen. Zouden zij deze belofte schenden dan zou dit gemengde bloed hun dood en verdoemenis brengen. Dat zou ook gebeuren als zij het beloofde en ondertekende niet zouden nakomen.”

Dit vredesverdrag werd gevolgd door meerdere vredesverdragen, telkens met kleine groepen Marrons.  Op die manier ontstond er in die vrijstaat binnen de kolonie Suriname een grote groep met een eigen cultuur en gedragscode. En dit is nog steeds de basis voor het bestaansrecht van de Marrons van nu.

Bron o.a. : Ketens en Banden, Suriname en Nederland sinds 1600, uitgave Rijksmuseum/Vantilt.

N.B.: De termen Ndyuka, Okanisi en Aukaners worden door elkaar gebruikt om dezelfde groep Marrons aan te duiden.

Jacob van der Burg

DE GESCHIEDENIS VAN MEERZORG, ZOALS BESCHREVEN IN OUDE KRANTENBERICHTEN, DEEL 1 (1915-1940).

Wanneer je via de Wijdenboschbrug Paramaribo verlaat, lijkt de overkant wel een buitenwijk van Paramaribo te zijn, niet veel verschillend van andere buitenwijken van de stad.

In het begin van de vorige eeuw was de situatie geheel anders. Plantage Meerzorg leed een armoedig bestaan o.a. door oplopende schulden ten gevolge van tegenvallende oogsten en ziekten van het gewas. De plantage dreigde failliet te gaan. Het was dan ook een uitkomst dat het Gouvernement in 1915 besloot tot aankoop over te gaan. De plantage werd gekocht voor een bedrag van 11500 gulden plus de vorderingen die de kolonie had op de plantage-eigenaren, bestaande uit een schuld bij het immigratiefonds en een achterstand in te betalen grondrente.

Het bezit van Meerzorg, met zijn ligging tegenover de stad, bood het Gouvernement vele voordelen. De plantage leek bij uitstek geschikt voor de vestiging van kleine landbouwers om hun producten in de stad te verkopen. Ook voor de eventuele stichting van een kolonie voor landbouwleerlingen én voor het bouwen van nieuwe woningen t.b.v. een stadsuitbreiding. In Paramaribo zelf waren nauwelijks nog terreinen beschikbaar, waardoor ook het oprichten van fabrieken daar belemmerd werd.

Op het Zand, een terrein achter de eigenlijke plantage, woonden in die tijd al rond de 430 mensen, met tezamen 500 koeien. Daarnaast waren al 213 percelen in huur uitgegeven aan kleinlandbouwers met een gezamenlijke lengte van 259 kettingen. Ook was er nog een ingepolderd gedeelte van 500 hectare met een concessie van 1250 hectare.  Op het terrein waren tal van gebouwen, merendeels in goede staat: een directeurswoning, verschillende opzichterswoningen, twee hospitalen, immigrantenwoningen (360 kamers) een winkelgebouw, twee sluizen en diverse waterreservoirs. Tenslotte was er nog een cultuurterrein van 110 hectare met o.a koffie en bacoven.

Vlak na de overname aarzelde het Gouvernement nog met een definitieve invulling van het nieuwe bezit. Een aanvraag om een landbouwschool voor kleine landbouw op te richten werd uiteindelijk afgewezen, met als reden dat Meerzorg een gebied met veel malaria was. Verder werd de afbraak van twee blokken immigrantenwoningen en de opbouw in de cultuurtuin aanbesteed.

Na enige tijd werd gestart met een uitgifte van landjes op beperkte schaal in een recent ingepolderd gebied. De voorwaarden hiertoe voor de huurders waren verre van optimaal. Bepaald werd dat het Gouvernement op elk tijdstip, zonder compensatie, de grond terug kon nemen. Ook zou de regering slechts voor zes jaar de zorg voor de polder als geheel (afwatering, wegen etc.) op zich nemen. Daarna moest men het verder zelf doen.

Inwoners van Paramaribo interesseerden zich niet al te veel voor wat er zich afspeelde op de verkavelde plantage. Dat was tenminste de trend van een in 1929 verschenen artikel in de Surinamer.

“De gemiddelde stadsbewoner, die op zijn wandeling langs den Waterkant de veerboot naar Meerzorg ziet bij de Plattebrug, gelooft graag, dat er aan de overzijde van de rivier, achter het bosch dat hij ziet, een negorijtje moet liggen, waar een stuk of wat koeien gehouden worden door een aantal Britsch-Indiërs. Hij krijgt immers melk van een Britsch-lndischen leverancier, die vertelde op Ansoe te  wonen. Zijn buurman krijgt ook al melk van denzélfden leverancier. En onder zijn kennissen zijn er verder, die melk krijgen van Ansoe. En in de krant is er ook al eens gesproken van de melkleveranciers op Ansoe. Zijn aardrijkskundige kennis van eigen land is waarschijnlijk ruim genoeg om te weten, dat Ansoe de Negerengelsche naam is voor Meerzorg; en als hij ook historische kennis heeft, weet hij dat de naam Ansoe wordt beschouwd als een verbastering van den naam Amsinck, waarnaar de laatste eigenaren van deze voormalige suikerplantage luisterden. Hij gelooft dus, dat er iets moet zijn, al ziet hij er van den Waterkant niets van. Daarmee houdt dan echter gewoonlijk zijn kennis van Meerzorg geheel op”.

Aanleiding voor bovengenoemde bespiegelingen was het feit dat Gouverneur Rutgers de Surinaamse pers had uitgenodigd met hem op inspectiebezoek te gaan bij enkele vestigingsplaatsen aan de overkant, waaronder Meerzorg.

De gouverneur had zo zijn redenen om aandacht voor het gebied te vragen. In het begin van de vorige eeuw had het Gouvernement verscheidene plantages, die failliet dreigden te gaan, overgenomen en er vestigingsplaatsen van gemaakt. Zoals bekend konden voormalige contractarbeiders hier de beschikking krijgen over een stukje grond om in hun onderhoud te voorzien met wat men noemde de kleine landbouw. De stukjes waren zo bemeten dat men er eigenlijk niet mee rond kon komen. Reden hiervan was dat er een prikkel moest blijven om op afspraak toch nog werkzaamheden op overgebleven plantagegrond te verrichten t.b.v. de eigenaren. Gouverneur Rutgers, in tegenstelling tot zijn latere opvolger, was er voorstander van om op deze wijze ook verschillende bevolkingsgroepen te laten integreren. Zijn opvolger Kielstra beoogde later de zaak zo te sturen dat juist aparte groepen bleven bestaan. Hij was de man die puur Javaanse nederzettingen nastreefde naar het dessamodel.

Aandacht voor de “overkant” was ook belangrijk uit andere overwegingen. Door de verbeterde veerdienst die weldra zou starten lag een verbeterde afzetmarkt voor de kleine landbouwers open. Tevens zouden er vanuit Paramaribo meer initiatieven in het gebied ontplooid kunnen worden. En ook (geringe) toeristische activiteiten waren niet ondenkbaar.

Meerzorg had in die tijd een bevolking van twee à drieduizend zielen, merendeel Hindostanen, met als tweede grote groep de Javanen. Landbouw en veeteelt waren de voornaamste bron van inkomsten. Er was een verscheidenheid aan landbouwprodukten: rijst, koffie , suiker, aardvruchten, bananen en bacoven. De bosbouw was aanzienlijk en er was een veestapel van runderen, waarmee Meerzorg de voornaamste melkproducent was. Door de ligging vlakbij Paramaribo waren er goede afzetmogelijkheden, zeker in vergelijking met verderaf gelegen plantages.

Toen eind 1931 het nieuwe veer Paramaribo-Meerzorg geopend werd, kwamen er in het begin vele nieuwsgierigen een kijkje nemen. Er waren regelmatig concerten van  de Militaire kapel en er kwam een verkooppunt voor drank op die muziekmiddagen.

Toch kwamen er barsten in dit rooskleurige beeld. Vrij vlot was het nieuwe er af en werden die concerten gestopt.

Maar belangrijker was het feit dat de kleine landbouwers, ondanks de ontsluiting, lang niet altijd in staat bleken aan hun financiële verplichtingen te voldoen. Het wegenplan aan de overkant moest fiks uitgebreid worden en lang niet altijd was duidelijk wie hiervoor moest opdraaien. Het kwam voor dat de kleine landbouwers zonder vergoeding dagenlang moesten meehelpen met wegenaanleg en onderhoud. Dit ging ten koste van zorg voor de gewassen en gaf dus minder productie. Ook lokten de onderhoudswerkzaamheden aan het Saramaccakanaal veel landbouwers weg van hun grond. Weliswaar werden ze hier goed betaald, maar veel tijd om hun “tuintje” te verzorgen was er niet meer. Geregeld  werd er in de krant gemopperd over slechte wegen, gebrek aan elektriciteit en haperende watervoorziening. Toen begin jaren dertig Anton de Kom naar Suriname kwam, vonden de landbouwers bij hem een luisterend oor voor hun klachten. Massaal vonden ze de weg naar zijn kantoortje in Paramaribo. De overheid, bang voor wanorde, nam de Kom gevangen. In het oproer dat hierna ontstond vielen, naast veel gewonden ook enkele dodelijke slachtoffers, waaronder Cyriel Maurice, kleine landbouwer uit Meerzorg. Geschrokken trokken de demonstranten zich terug en gingen weer naar hun gronden. Maar de ontevredenheid bleef en de kleine landbouwers verenigden zich in een bond. Men was ontevreden over de districscommissaris en de opzichter voor de kleine landbouw. Er werd voor gepleit deze bestuursvorm op te heffen en rechtstreeks bij Paramaribo ingedeeld te worden.

Toch kwamen er geleidelijk, onderbroken door de tweede wereldoorlog, meer voorzieningen tot stand.

Jacob van der Burg