EEN HISTORISCHE KAART VAN DE KOLONIE SURINAME.

.

Tot de meest bekende historische landkaarten van de kolonie Suriname, behoort ongetwijfeld de in 1773 verschenen ‘Generale Caart van de Provintie Suriname’, vervaardigd door Alexander de Lavaux. Naast de bijzonder mooie uitvoering is het een belangrijke kaart omdat voor het eerst alle destijds bekende plantages er op afgebeeld zijn. Zo mooi en volledig als de kaart is, zo verbrokkeld en wispelturig verliep het leven van De Lavaux.

Na een korte carrière in het Pruisische leger, werd de Duitser Alexander de Lavaux in 1729 door de Sociëteit van Suriname (het bestuur van de kolonie) naar Suriname uitgezonden als officier en landmeter. De ervaring die hij al had opgedaan in het Pruisische leger vormde voor het bestuur een belangrijke reden hem die legerfunctie te geven. Nog belangrijker was echter de ervaring die hij als landmeter had opgedaan. Men had dringend behoefte aan goede landkaarten om weglopersdorpen goed in kaart te brengen als steun in de strijd tegen de Marrons. Daarnaast had men in Nederland de indruk dat nieuwe plantages vaak wat ruimer uitgevoerd werden dan op grond van concessies was afgesproken. Eenmaal aangekomen in Suriname werd De Lavaux al spoedig meegestuurd met een bostocht tegen de Marrons. Zijn optreden was geen succes. Hij weigerde een bevel van een meerdere op te volgen en werd bij terugkeer in Paramaribo gevangen gezet. Van verdere strafvervolging werd afgezien op de voorwaarde dat hij met een tweede bostocht mee zou gaan en zijn goede wil bewijzen. Tijdens deze periode viel hij op in positieve zin, met name ook doordat hij ijverig aan de slag ging met het vervaardigen van kaarten in de door hem bezochte gebieden. Toen de Sociëteit van Suriname in Nederland behoefte kreeg aan een landkaart van het tot dat moment bekende deel van Suriname, kwam De Lavaux vlug in beeld. Temeer omdat hij op eigen initiatief al paar jaar met iets dergelijks bezIg was. In juli 1736 scheepte hij zich in opdracht van het bestuur in op een schip naar Nederland. Wegens geringe zeewaardigheid van dit schip voltooide hij zijn reis aan boord van een Frans vaartuig. Aangekomen in Holland bleek een groot deel van de meegebrachte documenten zoveel waterschade te hebben opgelopen dat hij veel opnieuw moest intekenen. Het uiteindelijke resultaat werd op een koperplaat vastgelegd en 50 afdrukken daarvan werden naar Suriname verscheept. Bovendien werd ook nog een afdruk op zijde gemaakt. Dit is de kaart die in het Amsterdamse Rijksmuseum te bewonderen valt. Als beloning mocht De Lavaux kiezen voor het eigendom van de koperplaat of 1000 gulden. Hij koos dit laatste. Uit erkentelijkheid bevorderde men hem nog tot legerkapitein en stelde hem in Suriname een belangrijke functie in het vooruitzicht bij supervisie over te bouwen fortificaties.

De Lavaux aanvaardde de terugreis naar Suriname, maar op eigen initiatief maakte hij een grote omweg via Nieuw Engeland, waar hij bijna een jaar verbleef. Uiteindelijk aangekomen in Paramaribo eiste hij daar het volledige achterstallig landmetersloon over de tijd dat hij niet in Suriname was geweest. Van het loon waarop hij recht meende te hebben werd echter de periode afgetrokken dat hij in Nieuw Engeland was geweest, alvorens hem het werd uitbetaald. Bovendien werden de bevordering en de nieuwe functie die hem door Nederland beloofd waren, niet gerealiseerd. Hij werd hierom zo boos dat hij zonder toestemming Suriname verliet om in Nederland zijn beklag te doen. Om onduidelijke reden ging hij echter niet verder dan het eiland St. Christoph, dat in Engelse handen was. Hij maakte kennis met de autoriteiten en schijnt voor hen ook nog kaarten te hebben getekend. De verontwaardiging bij het Gouvernement in Paramaribo was groot. Na de nodige diplomatieke onderhandelingen werd De Lavaux naar Suriname teruggebracht en daar gevangen gezet wegens desertie. Na een lange periode van verhoren en raadplegingen door de Krijgsraad kwam er in 1743 een uitspraak. Vijf leden waren voor ontslag uit het leger en verwijdering uit de Kolonie. Vier leden, waaronder de  Commandeur, die een dubbele stem claimde waren voor de doodstraf. Gouverneur Mauricius schortte het oordeel op. In de volgende periode kwam het lot De Lavaux te hulp. Hij begon in gevangenschap last te krijgen van wanen en hallucinaties, die het vermoeden deden rijzen dat ook in het verleden dergelijke zaken zijn gedrag zodanig hadden beïnvloed, dat hem zijn daden niet aangerekend konden worden. In februari 1744 werd hij uit gevangenschap ontslagen en enkele weken later verliet hij de kolonie voorgoed. Kort daarna dook hij op in het Engelse Chester, getuige de door hem vervaardigde kaart van die stad. Hoe het verder met hem verlopen is, valt niet meer te achterhalen.

Jacob van der Burg

GESCHIEDENIS VAN MEERZORG, DEEL TWEE (1940-1975).

“Ca. 1940, toen wij op Jagtlust woonden, werd Meerzorg overwegend bewoond door Hindoestaanse landbouwers. Ze verbouwden rijst en hielden vee en waren ook toen nog leveranciers van melk. De rijstvelden trokken o.a. veel skurkis/wiswisis (soort boomeend) aan en waren daardoor erg populair bij jagers, zowel uit het district als uit de stad. Omdat de jacht ‘s avonds plaatsvond, bood deze ook een leuke bijverdienste voor de kinderen van de landbouwers die, als “pikkers”, de buit  in het donker moesten lokaliseren…”.

Met deze woorden beschreef Frans Olmtak, die zijn jeugd op Jagtlust doorbracht, de situatie op Meerzorg.

In de loop van de tweede wereldoorlog kwam de landbouwproductie op een laag pitje te staan. Door het oorlogsgevaar konden geen goederen naar het buitenland (Europa) geëxporteerd worden. Bovendien verlieten een aantal arbeiders de plantagegronden om mee te gaan werken aan de opbouw van de Amerikaanse basis op Zanderij. Zoals bekend, was een groot aantal Amerikaanse soldaten in Suriname gestationeerd om het land veilig te stellen.

Na de oorlog herstelde de landbouw zich weer, maar een aantal plantages overleefde de oorlog niet. Toch was de regering niet ontevreden over het herstel van de economie. In het eerste jaarverslag na de oorlog wordt Meerzorg geroemd:

“Eén van de welvarendste Gouvernements Vestigingsplaatsen is Meerzorg met een bevolking van ruim 3100 zielen. Hier vindt men o. a. een politiepost, twee poliklinieken, een openbare school met filiaal en een R. K. school.”

Toch was niet iedereen tevreden. Toen in 1946 een districtscommissaris afscheid nam, werd gesignaleerd door een krant, dat vanuit Meerzorg hier geen hartelijke afscheidswoorden aan gewijd werden. Herinnerd werd daarop door een briefschrijver aan het feit dat in 1943, de districtscommissaris nagelaten had een eind te maken aan de veel te hoge prijzen in de districtswinkel, ondanks een aanbeveling van het Gouvernement.

De algemene achteloosheid van Paramaribo ten opzichte van het buitengebied
werd door de briefschrijver in een krant als het volgt verwoord.

“Tenslotte nog een goede raad voor velen die het wel met Land en Volk meenen. Men moet niet zittende praten op advies en raad maar men moet de laarzen aantrekken en even in de modderpoelen en zwampen gaan waden, waar de paddenstoelen staan met de kikkers en kikkertjes eronder, om het kwaken te hooren van deze arme Hindostaansche landbouwers over hunne nooden en toestanden, dan zal men een andere toon gaan spelen op de viool.”

Geleidelijk steeg het aantal inwoners van Meerzorg, 4000 in 1948.

De bootverbinding met Paramaribo werd verbeterd door het inzetten van grotere boten. En in 1958 kwam er een bioscoop, Cinema Ansoe. Dit was in de jaren zestig, zeventig en tachtig van de vorige eeuw een heel populair theater in Meerzorg. Toen was er nog geen brug. Om de bioscoop te bezoeken moest je de Suriname rivier over met de veerboot. Een kleinkind van de eigenaar (zie ook de link onderaan dit artikel) haalt herinneringen op aan die tijd:

“Mijn opa zette deze bioscoop op en heeft het ook als echt familiebedrijf draaiende gehouden, totdat de nieuwe technologische ontwikkelingen de bioscopen de das omdeden. Als kind logeerde ik in de vakanties bij mijn opa en oma (naast de bioscoop op hetzelfde erf) en mocht ik Cinema Ansoe van dichtbij meemaken. Overdag spelen in de donkere bioscoop met de buurtvriendjes en ’s avonds de Bollywood film! Mijn opa ging naar de stad met de veerboot om bij de distributeurs de films op te halen. Waar mijn oom de aankondigingen heel mooi met verf op grote vellen papier schilderde, zorgde mijn oma voor de lijm om de aankondigingen samen met de filmposters op te plakken op twee grote aanplakborden, één voor de bioscoop en een andere langs de hoofdweg in het district. Die lijm maakte zij zelf van papperige rijst.”
In februari 1950 bezocht Prins Bernhard Suriname en deed o.a. Meerzorg aan:

“Omstreeks acht uur meerde de Oranje, waarmede de oversteek van Paramaribo naar Meerzorg werd gemaakt, aan de veerbrug. Hier werd door een meisje de Prins het eerste bloemstuk aangeboden. Per auto en onder militaire escorte, werd de tweede etappe van de reis aangevangen. Bij het Politiestation werd even uitgestapt. De politie van Meerzorg had hier in der haast voor een erepoort gezorgd. Mevrouw A. Felter, echtgenote van de Politie-commandant, hing de Prins een fraaie bloemenkrans om. Te Meerzorg legde de Prins symbolisch de eerste steen voor de bouw van een Arya Samaadj tempel. De heer C. R. Singh bood hem een zilveren troffeltje met inscriptie aan. De bedoeling is dat de Prins later een gemachtigde afvaardigt, om de werkelijke handeling te verrichten.”

Bij het bezoek van het koninklijk paar in 1955 verrichtte Koningin Juliana de openingsplechtigheid van de tempel.

In 1959 kwam, als onderdeel van de oost-westverbinding het gedeelte Meerzorg Tamanredjo gereed. De beslissing tot aanleg van die oost-westverbinding was al bijna tien jaar eerder genomen, maar financiële en politieke overwegingen hadden de uitvoering vertraagd. Ondanks een verbeterde bootverbinding

deed zich het gemis van een goede vaste verbinding tussen Paramaribo en Meerzorg steeds meer voelen. De roep om een brug werd steeds sterker. Uiteindelijk werd in 1973 het contract voor een brug over de Surinamerivier getekend. Dat werd hoog tijd gezien de hoeveelheid klachten die in Meerzorg leefde:

“Bewoners van Meerzorg hebben een verzoek gericht aan het ministerie van Volksgezondheid om een geneesheer en een ziekenverpleger aan te stellen te Meerzorg. In een brief, mede ondertekend door de bewoners, wordt gezegd dat er afstanden van 14 tot 30 km moeten worden afgelegd om een dokter in het district Commewijne te bezoeken In sommige gevallen moet men een afstand van 9 tot 12 km afleggen naar Mariënburg. Voorts hebben de bewoners aan de Energiebedrijven Suriname, E.B.S., gevraagd, dat de gehele gemeenschap aldaar op het elektrisch net wordt aangesloten. De aandacht van de overheid wordt tevens gevraagd voor de slechte toestand waarin de wegen en trenzen verkeren, vooral in het regenseizoen.”

Nadat al voor de tweede wereldoorlog de kleine landbouwers zich in een bond verenigd hadden, werd in 1974 ook een landbouwersbond voor de grote landbouw opgericht, met als doel eindelijk in Meerzorg structurele verbeteringen tot stand te brengen. Met felle klachten sprak deze  bond de regering aan.

“De Bond noemt het ergerlijk om te zien hoe praktisch alle trenzen zijn dichtgeslibd, zodat ze niet eens als zodanig herkenbaar zijn, terwijl de bestuursopzichter zich de moeite getroost arbeiders te sturen om het gras op de dichtgeslibde trenzen te wieden. De kleine landbouw is als middel van bestaan te Meerzorg volledig vernietigd. Meerzorg  was nog geen tien jaar geleden een bloeiend landbouwgebied, waarvan de padiproduktie acht pellerijen in staat stelde om niet alleen de plaatselijke markt van rijst te voorzien, maar tevens grote hoeveelheden kon afzetten bij de Centrale Markt te Paramaribo. Op dit moment kan er nauwelijks meer rijst worden geproduceerd, terwijl alle acht pellerijen reeds jaren stilstaan. Grote hoeveelheden rijst moeten nu vanuit de stad naar Meerzorg gaan, omdat de bewoners alleen nog maar groenten voor eigen gebruik kunnen produceren. Het gevolg is een schrikbarende werkloosheid onder de bevolking en vele bewoners zijn gedwongen werk tegen zeer laag loon op verafgelegen plaatsen aan te nemen”.

Kennelijk heeft dit schrijven wel gewerkt. In een overleg met het ministerie werd de toezegging gedaan dat nog in dat jaar een waterleiding aangelegd en de waterlozing verbeterd zouden worden. Voor het volgend jaar was al geld uitgetrokken voor de aanleg van een elektriciteitsnet.

Tevreden stelde de landbouwersbond vast dat de gezamenlijke inspanning van verschillende bonden tot dit goede resultaat had geleid.

Een goede start voor de aankomende onafhankelijkheid van de kolonie Suriname.

Jacob van der Burg

EEN MISLUKTE STAATSGREEP IN DE KOLONIE SURINAME

Paramaribo, voorjaar 1911:

“Hoe zorgwekkend de toestand in Suriname is, blijkt uit de volgende punten.

1e Met de hygiëne is het slecht gesteld. De drinkwaterverschaffing is onvoldoende en het ontbreekt aan publieke toiletten. Onbebouwde panden worden verwaarloosd.

2e De regering is te luxe gehuisvest. Er zijn teveel overbodige departementen, die gemakkelijk samengevoegd zouden kunnen worden.

3e De economie is veel te eenzijdig. Alleen cacao en bananen worden geteeld. De regering moet ook het telen van andere gewassen bevorderen.

4e Het politiekorps moet hervormd worden. Er zijn teveel bekwame mensen in de lagere rangen, die geen promotie kunnen maken.

5e De immigranten worden slecht behandeld.

6e Veel regeringsfunctionarissen zijn corrupt en volstrekt onbekwaam.

7e Alles is veel te duur.”

Met woorden van deze strekking rechtvaardigde politie-inspecteur Frans Killinger in 1911 voor de Rechtbank te Paramaribo zijn plan tot het plegen van een staatsgreep.

In de Rechtbank puilde de publieke tribune uit van de toeschouwers en buiten scandeerden nog eens een veelvoud van mensen zijn naam bij zijn aankomst of vertrek. Met een zwierig gebaar groette de altijd perfect geklede Killinger dan de massa

Bij het woord staatsgreep zullen niet veel mensen in Suriname denken aan het jaartal 1910. Toch werd, dankzij de man in het wit op bijstaande foto, het nieuws in de kranten van 1910 en 1911 voor een groot deel beheerst door de bijzondere geschiedenis rond een geplande, maar bij voorbaat al mislukte staatsgreep.

Frans Killinger was van oorsprong een Hongaars onderdaan, met kennelijk een grote hang naar avontuur. Hij nam dienst in het Hongaars-Oostenrijkse leger, maar werd daaruit ontslagen na een verkeerd afgelopen schietincident. Belust op avontuur probeerde hij mee te gaan strijden in de Boerenoorlog in Zuid-Afrika. Toen dit niet lukte verlegde hij zijn pad naar Nederland. In Harderwijk solliciteerde hij naar een plek in het KNIL om in Nederlands Indië dienst te doen. Ook hier werd hij niet aangenomen, maar wel bood men hem een plaats bij het Surinaamse politiekorps aan. Rond 1900 kwam hij in Suriname aan. Binnen het politiekorps vielen zijn goede kwaliteiten op en maakte hij snel carrière. Na een lange verlofperiode in Europa, kwam hij begin 1910 weer in Suriname. En het duurde niet lang of er begon zich een bijzondere geschiedenis te ontvouwen, die in beginsel meer leek op een klucht, maar allengs toch een ernstiger karakter kreeg.

Het eerste signaal dat er iets mis was met Killinger, was een melding van een oud-agent Jacob Schoonhoven. Deze was door Killinger benaderd met het verhaal dat hij op verzoek van de Procureur-Generaal er voor moest zorgen dat een hoeveelheid munitie van elders in Suriname ingevoerd kon worden. Het verhaal kwam Schoonhoven vreemd voor en hij liep te piekeren wat hij daarmee aan moest. Op straat trof hij Pastoor Joannes van der Walle van de Bonifaciuskerk. Hem vertelde hij zijn verhaal en deze geestelijke adviseerde zo spoedig mogelijk de Procureur-Generaal in te lichten. Justitie besloot de gangen van Killinger na te gaan. Het bleek dat hij, vooral ‘s nachts, met verschillende personen beraadslagingen voerde. Ook werd hij, weer in de nacht, gesignaleerd op strategische plekken waar hij militairen aansprak die op wacht stonden. Op grond van deze signalen werd Killinger in hechtenis genomen en uitgebreid verhoord. De informatie, hierbij verkregen, was reden tot de arrestatie van nog zes andere personen. Er leek genoeg reden om een gerechtelijk onderzoek te starten, wat uit zou kunnen monden in een proces. In de periode van detentie kwam stukje bij beetje het hele verhaal aan de oppervlakte. Vrij vlot kwam er een “bekentenis” van Killingers kant. Hij  verhaalde dat, gezien de miserabele toestand van Suriname, hij zich geroepen voelde een omwenteling tot stand te brengen.

In een overzichtsartikel van december 2017, schrijft Het Historisch Nieuwsblad hierover:

“Killingers coup had plaats moeten hebben in de nacht van 25 op 26 mei 1910. Hij zou dan zelf de hoogste in rang zijn op het politiebureau en makkelijk bij de wapens kunnen, voornamelijk revolvers. Die wilde hij uitdelen aan de mannen met wie hij enkele keren bijeen was geweest om zijn plannen door te spreken en ook enkele anderen zouden wapens ontvangen. Killinger was ervan overtuigd dat verschillende agenten op het bureau zich spontaan bij de revolte zouden aansluiten. Zijn handlangers moesten  ervoor zorgen dat enkele tientallen geronselde burgers op straat klaar zouden staan. Deze moesten dan bewapend worden met knotsen, vervaardigd door de timmerman Marius Breedveld. Aldus gewapend dienden Killingers troepen uit te zwermen naar Fort Zeelandia, de gouverneurswoning, het telegraafkantoor en nog enkele strategische plaatsen. Bij het fort wachtte de riskantste operatie. Daar zouden de wachtposten met dekens over hun hoofd overmeesterd moeten worden. Vervolgens dienden de slapende troepen in de kazerne, een kleine 150 man, op de bovenverdieping te worden ingesloten. Dat kon door de houten trappen – ladders eigenlijk – weg te halen. De gijzeling hoefde maar even te duren. Killinger wilde de soldaten onmiddellijk toespreken in de overtuiging dat ze zich dan wel bij hem zouden aansluiten.”

Uiteindelijk lag het in de bedoeling van Killinger de kolonie Suriname om te vormen tot een republiek.

Het naïeve en amateuristische van de hele operatie blijkt nog eens uit een artikel in het blad Van Stad en Land, van 10 juni 1910. waarin de vervaardiger van de knotsen zijn verhaal komt doen.

“Gisteren vervoegde zich bij ons Marius Breeveld, de timmerman die de beruchte knotsen voor het complot van Killinger vervaardigd had.  Breeveld beklaagt zich dat hij het slachtoffer is van een ongelukkigen samenloop van omstandigheden. Hij had, vertelde hij, geregeld werk, nu eens als knecht in dienst van een aannemer, dan weer aan karweitjes. Op den morgen van den 11den Mei tusschen 9 en 10 van een karweitje komende, werd hij op eens gepraaid door Ch. A. Deze vroeg hem wanneer hij tijd zou hebben om bij hem (A) aan te loopen daar hij werk voor hem had. B. antwoordde dat hij van de week nog bezet was, maar dat hij Maandag in de avond zou aanloopen. Reeds den volgenden dag ontving Breeveld bezoek van A., die hem geld gaf om sparren te koopen, met een model van de te vervaardigen stokken. Deze moesten den 17den Mei geleverd worden. Breeveld beweert dat hij niet gevraagd heeft waartoe die ruwe stokken moesten dienen. Toen hij het grootste deel van de stokken af had, ging hij naar plantage Zoelen waar zijn vrouw bij hare zieke moeder was. Intusschen was A. hem, naar hij vernam, gedurende zijn afwezigheid verscheidene keeren komen opzoeken zonder hem aan te treffen. B. bleef maar één dag op plantage. De avond van zijn terugkeer in de stad kwam A. weer bij hem en deelde hem mede dat die stokken voor een complot bestemd waren, doch dat dat ontdekt was door de schuld van zekeren S. Hij verzocht Breeveld daarom die stokken goed te verbergen. Deze verklaarde zich bereid daartoe en begroef, als bekend, de stokken op het erf van zijn moeder. Toen A. later met de politie bij hem kwam om naar de stokken te vragen, is hij ze onmiddellijk weer gaan opgraven. Hij werd 24 uren door de politie in bewaring gehouden en toen weer op vrije voeten gesteld. Ten huize van zijn schoonmoeder op Zoelen werd huiszoeking gedaan. Breeveld zegt dat hij van het complot niets afwist, niet wist voor welk doel hij de stokken moest vervaardigen, nooit eene vergadering der samenzweerders had bijgewoond.”

Tot zover het krantenbericht.

Na een lange voorbereiding startte uiteindelijk op 13 maart 1911 het proces tegen Killinger en 6 andere  verdachten. Er werden door de zes verschillende verklaringen afgelegd, waarbij de verdediging zijn best deed voor ieder van hen hun rol minder belangrijk te maken. Alleen Killinger legde een volledige bekentenis af en verklaarde zelf de volledige verantwoordelijkheid voor de  geplande operatie te dragen. De rechtbank ging hier niet in mee en vonniste uiteindelijk alle zeven mannen gelijkelijk.

Dagblad de Surinamer deed hier op 4 april 1911 uitgebreid verslag van:

“Het Hof achtte alle beklaagden schuldig aan het misdrijf; samenspanning die verandering der regeering ten doel heeft en veroordeelt ze tot de straffe des doods, uit te voeren binnen Paramaribo, en in de hoofdelijke kosten van het geding. Voorts gelast het vernietiging der bewijsstukken.
Met bewogen stem werd dit vonnis door den President voorgelezen. Nog steeds ontroerd hield ZHEdGest, ongeveer de volgende toespraak tot de veroordeelden : ‘Het doet mij leedt op den avond van mijne carrière nog een zoodanig vonnis te moeten uitspreken. Het is de gehoorzaamheid aan de wet die mij noodzaakte haar uit te spreken. Het is ons, in dit geval niet gegeven op verzachtende omtstandigheden te letten. Wij hebben ons te onderwerpen aan de strafbepalingen der wet. Wij hopen echter dat deze straf moge verzacht worden. Ik wil u den weg wijzen, om dit te bereiken. Uwen rechters konden niet anders doen, dan de doodstraf uitspreken. Er is echter een anderen weg open. Hier nabij, op het Plein, is er een, de vertegenwoordiger van H. M., onze geëerbiedigde Koningin, die het heft in handen heeft. Raadpleeg uwe verdedigers, die, ik twijfel er niet aan, waar zij reeds om u zulk een zwaren arbeid hebben verricht, nu ook aan uw verlangen gevolg zullen geven. De Gouverneur kan zonder te letten op de wet, enkel en alleen uit clementie handelen. De P. G. deed reeds de toezegging in zijn requisitoir, dat mocht gij tot deze straf veroordeeld worden, hij medewerken wil, om verzachting daarvan te verkrijgen.’

Hierna werd de zitting gesloten. Nogmaals ontblooten wij eerbiedig het hoofd voor den grijzen President, die weer getoond heeft een hoog en nobel menschelijk hart te bezitten. Zonder twijfel zal door den Gouverneur de hardheid der verouderde wet gecorrigeerd en het doodvonnis in gevangenisstraf gewijzigd worden”.

Tot zover de krant.

Zoals verwacht corrigeerde de Gouverneur het vonnis, hierbij gesteund door het feit dat de strafwetten in Suriname ver achter liepen bij die van het moederland. In Nederland, waar de doodstraf allang was afgeschaft, zou Killingers misdrijf waarschijnlijk met niet meer dan vijf jaar gevangenis bestraft  zijn. Killinger werd uiteindelijk veroordeeld tot 5 jaar dwangarbeid. De anderen kregen lichtere straffen. Onmiddellijk na het vonnis werd Killinger op de boot naar Nederland gezet om daar zijn gevangenisstraf (zonder dwangarbeid!) uit te zitten. Waarschijnlijk waren zowel de lage straf als de deportatie naar Nederland mede ingegeven door de angst dat een andere uitkomst hem in Suriname tot een martelaar gemaakt zou hebben. Vrij spoedig na afloop van het proces keerde de rust terug onder het deel van de bevolking dat zich aanhanger van Killinger had getoond.

Het zou twintig jaar duren voor een andere leider, genaamd Anton de Kom, in staat bleek om een grote ontevreden massa op de been te brengen.

Killinger werd na drieënhalf jaar vrijgelaten wegens goed gedrag. Zijn zucht naar avontuur was niet minder geworden. Hij werd soldaat in het Turkse leger en vocht mee in de Eerste Wereldoorlog. In Turkije bekeerde hij zich tot de Islam en koos als nieuwe naam Mohammed Tewfiq Killinger. En ook in Turkije vond hij in 1936 uiteindelijk zijn laatste rustplaats.

Jacob van der Burg

EEN OUDE PLATTEGROND VAN PLANTAGE JAGTLUST

Oorspronkelijk was het mijn bedoeling om op deze FB pagina zo veel mogelijk gegevens over Plantage Jagtlust te verzamelen om zo tot een soort “plantageboek” te komen, omdat het originele boek niet meer te vinden was. Langzamerhand leek er weinig nieuws meer te vinden over Jagtlust, terwijl mijn belangstelling voor de geschiedenis van Commewijne en heel Suriname groeide. Dit was de reden om in verschillende artikeltjes dieper op die historie in te gaan. Toch is het altijd leuk om iets over Jagtlust te vinden wat je nog niet bekend was. En dat was onlangs het geval.

Op internet kwam ik tegen dat er nog een oude plattegrond van Jagtlust te vinden moest zijn bij het Nationaal Archief in Den Haag. Wel werd vermeld we dat deze vanwege de slechte staat niet opvraagbaar was, maar toch besloot ik het er op te wagen. In Den Haag trof archiefmedewerker Frank Kanhai en hij hielp me een stuk verder. Het ging inderdaad om een oude plattegrond van Jagtlust uit 1889, getekend door Sally Lyon, in opdracht van eigenaar Barnet Lyon. Het document was te zeer beschadigd en dermate groot van afmeting dat het niet mogelijk was om het uit het depot te halen en op degelijke wijze te fotograferen. Bij wijze van uitzondering mocht ik met een medewerker mee naar de kelder van het archief, waar we zo goed mogelijk hebben geprobeerd de plattegrond fotografisch vast te leggen. Het plaatje bij dit artikel is een uitvergroting van het gedeelte tussen de doorgaande weg en de Surinamerivier, waarop diverse gebouwen en gebouwtjes te zien zijn. De toelichting op de kaart welke gebouwen het precies betrof was niet overal goed leesbaar. Toch heb ik geprobeerd één en ander zo goed mogelijk te ontcijferen. Later zijn sommige gebouwen afgebroken en nieuwe gebouwd. Mogelijk zijn er nog mensen die op Jagtlust gewoond hebben en gebouwen herkennen. Hun opmerkingen zijn meer dan welkom.

Jacob van der Burg

VESTIGINGSPLAATS LELYDORP, DEEL 1

Lelydorp, hoofdplaats van district Wanica, heette lang geleden Koffiedjompo. Deze naam is nog terug te vinden op bijgaande foto van 28 maart 1905, gemaakt ter gelegenheid van de opening van station Kofiedjompo aan de Lawa-spoorlijn. (n.b. de naam Koffiedjompo wordt op vele manieren gespeld).

Over de herkomst van de naam Koffiedjompo vermeldt het Koloniaal nieuws- en advertentieblad Suriname op 31 maart 1905:

“De herkomst van den naam Koffiedjompo te voren door slechts weinigen gekend, doch nu op aller lippen, zal zeker velen, met ons, geïntrigeerd hebben. Langen tijd hebben wij vergeefs gezocht tot eindelijk bij gelegenheid van den proefrit, ons van geachte zijde een zeer aannemelijke verklaring werd gegeven. Deze namenlijk: In den slaventijd liep een slaaf, Koffie genaamd, van zijnen meester weg. Na ijverig patrouilleren werd hij eindelijk aan den overkant van een uitgestrekte zwamp ontdekt en gevangen. Toen men hem vroeg : ‘Koffie, hoe ben je de zwamp overgegaan ?’ antwoordde hij : ‘Mi djompo’, ik ben er over gesprongen. Ironisch werd toen naar dezen wonderbaarlijken sprong, de plaats voortaan aangeduid met Koffiedjompo Koffie heeft er gesprongen.”

Er zijn ook versies van dit verhaal waarbij Koffie niet gepakt wordt en voorgoed naar de vrijheid springt.

Kort na de opening van station Kofiedjompo werd bij Gouvernementsbesluit bepaald dat de plaats voortaan Lelydorp zou heten, ter ere van Gouverneur Lely. Deze was de stuwende kracht achter de aanleg van de Lawaspoorweg. Met het wijzigen van de naam besloot het Gouvernement ook dat Lelydorp voortaan een vestigingsplaats voor Javanen zou zijn. Zoals bekend, kregen ex-contractarbeiders na het uitdienen van hun vijf jaren contact, landbouwpercelen aangeboden. Om de vestiging tot een succes te maken, schakelde het Gouvernement al vlug een ervaren Javaans contractarbeider in. Dit was Bapak Kartomodjo, in 1904 uit Java gekomen om in Suriname aan de Lawaspoorweg te werken. Al gauw was hij hierbij opgevallen door zijn goede werklust en leiderscapaciteiten. In een krantenartikel bij zijn pensionering in 1932 wordt teruggekeken op zijn loopbaan.

“Den eersten januari 1932 vierde Hoofdman Kartomodjo in alle stilte zijn zilveren ambtsjubileum als Javaansche opziener op de vestigingsplaats Lelydorp. Onder een transport  van ongeveer 73 koppen is hij destijds ten behoeve van de aanleg van de koloniale spoorwegen in Suriname aangekomen. Van dit transport zijn alleen Kartomodjo en een Javaansche tolk, Mardjo, in Suriname gebleven. Onder verschillende ingenieurs heeft hij langs de spoorlijn gewerkt en nadien kwam hij op de werkplaats Beekhuizen. Aldaar tewerkgesteld, werd hij opgeroepen om op het Immigratie Departement te verschijnen. De toenmalige Agent Generaal, de Heer van Drimmelen, sprak hem aan en onder overlegging van verschillende getuigschriften uit Ned. Indië, stelde Zijn H. EdelGestrenge aan Kartomadjo de vraag of hij gaarne op het Immigratie Departement zou willen werken. Op den eersten Januari 1907 is hij bij Gouvernements Resolutie aangesteld als Javaansche opziener en onder zijne werkzaamheden moest hij ook de van contract vrijgekomen Javanen, die in de stad rond zwierven, opsporen om kolonisten te worden. Bekend met de terreinen langs de spoorbaan had Kartomodjo veel liefde voor de vestigingsplaats Koffiedjompo! In dien tijd was er veel vertier en geld van de spoorwegen in omloop. De eerste zes kolonisten vestigden zich aan den Javaanse weg langs de spoorbaan. De Javaansche bevolking groeide langzaam aan. Naarmate de Creoolen en Br. Indiërs de perceelen verlieten, vestigden de Javanen zich op de verlaten perceelen. Thans is Lelydorp een bloeiende vestigingsplaats van Javaansche kolonisten geworden. Hun aantal kan op drie duizend worden geschat. Kartomodjo heeft gedurende deze vijfentwintig jaren veel gezien, en onder verschillende chefs gediend. In samenwerking met het Bestuur, heeft deze eenvoudige man veel gedaan voor de kolonie en het is voor een groot deel aan hem te danken dat de vestigingsplaats Lelydorp geworden is, wat zij thans is, namelijk op weg is nummer één te blijven in haar soort.”

Verzuimd te melden in bovenstaand artikel werd nog dat Kartomodjo in 1924 voor zijn verdiensten een koninklijke onderscheiding ontving. Hij was één van de eerste Javanen die een dergelijke eer ten deel viel!

Jacob van der Burg.

SUSANNA DU PLESSIS

Bij discussies over de gruwelijkheden van de slavernij wordt vaak het verhaal van slavenmeesteres Susanna du Plessis aangehaald. Tijdens een boottochtje op de Surinamerivier verdronk ze de baby van een slavin omdat ze zich ergerde aan het gehuil. En toen haar echtgenoot wat al te begerige blikken wierp op de borsten van één van haar slavinnen, Alida, sneed ze de borsten af en diende ze op aan haar man bij het diner. Of het zich echt allemaal zo heeft afgespeeld is twijfelachtig. Mogelijk zijn verschillende gebeurtenissen opgehangen aan één persoon, waarvan het eerst niet duidelijk was wie bedoeld werd. Bovendien is het verhaal in de de loop van de tijd ook zo gegroeid omdat het enkele malen basis is geweest voor toneelstukken, waarvan de schrijvers zelf al hadden aangegeven dat ze er veel fictie aan toegevoegd hadden. Zo zijn er ook verhalen dat Alida juist tot één van de favoriete slavinnen van haar meesteres behoorde en door haar vrijgekocht werd en tot erfgenaam benoemd.

Van Alida bestaat een standbeeld te Wageningen. Maar los van het waarheidsgehalte van het verhaal staat ze daar niet alleen als een symbool van de wreedheden uit de slaventijd, maar ook om de kracht uit te stralen waarmee ze dat alles kon weerstaan. En niemand zal op grond van de twijfel aan het hele verhaal concluderen dat het met de slavernij wel meeviel.

Of wel soms?

Er zijn in Nederland nog steeds historici die menen dat het met de wreedheden tegen slaven wel meeviel en dat enkele wreedheden begaan in de bostochten tegen de Marrons in de 18e eeuw, niet maatgevend waren voor het leven op de plantages rond 1800. Zij halen hun gelijk door te wijzen op de onnauwkeurigheden in de verhalen over de wreedheid van Susanna du Plessis.

Sandew Hira, onderzoeker en publicist, beschrijft de gehanteerde methodiek van de  groep die zegt dat het allemaal zo erg niet was, ongeveer als het volgt.

Richt je op één van de argumenten van de tegenstanders, bewijs dat dit onjuist is. Gebruik dit als argument om de hele stellingname van de tegenstander te ondergraven.

Voorbeelden daarvan zijn:

De bewering dat Nederland goed verdiend heeft aan slavernij klopt niet.

Tijdens de overtocht lag het percentage sterfgevallen van bemanningsleden en  slaven even hoog.

Nederlandse planters waren niet wreder dan anderen in het Caraïbisch gebied.

In Afrika werden de slaven door gekleurde handelaren aangevoerd.

Er waren ook, vrijgekochte, slaven die een goed bestaan hadden opgebouwd in Paramaribo.

Er waren ook gekleurde slavenhouders, even wreed als de blanken.

Al deze kreten gaan voorbij aan het laakbare systeem van slavernij dat men eigendom was van een ander en dat deze eigenaar naar willekeur kon beschikken over zijn slaven. Voor Suriname gold dat op de plantages de eigenaar kon straffen naar willekeur. Zeker als de plantage verder weg lag van Paramaribo. De enige beperking was dat de slaaf kapitaal vertegenwoordigde en dus in leven moest blijven.

Jacob van der Burg.

VESTIGINGSPLAATS LELYDORP, DEEL TWEE.

Bijgaande advertentie verscheen in oktober 1907 in het Koloniaal nieuws- en advertentieblad van Suriname. Hieruit blijkt dat al vlot na de opening van het spoor de ontwikkeling van Lelydorp op gang begon te komen. Kleine landbouwers uit Lelydorp konden hierdoor gemakkelijker hun producten in Paramaribo op de markt brengen. En mensen vanuit de stad konden gemakkelijk naar Lelydorp reizen. Onder hen waren mensen die in Paramaribo de kost verdienden als ambachtsman of winkelier, maar daarvan moeilijk rond konden komen. Dit probeerden ze op te vangen door op een klein stukje grond bij Lelydorp landbouwprodukten te gaan kweken.

Ook kwam er wat “toerisme” op gang; vanuit Paramaribo werden maanlichtexcursies per trein georganiseerd. Maar bij de optimistische constatering in het eerder aangehaalde krantenartikel uit 1932 dat Lelydorp nummer één was onder de vestigingsplaatsen, zijn best wat kanttekeningen te plaatsen, want de weg daarheen kende de nodige tegenslagen. Lang niet altijd bleken de mensen die vanuit Paramaribo naar Lelystad kwamen het daar te redden, omdat ze de bekwaamheid misten om de grond goed te bewerken. Ook gebeurde dit niet altijd te goeder trouw. Had men een stukje grond, maar vielen de verdiensten tegen dan kwam men in aanmerking voor steun door de overheid. In de kranten in die tijd, werd geregeld geklaagd over deze vorm van oneigenlijk gebruik van de grondjes.

Ook viel de vruchtbaarheid van de grond rond Lelydorp tegen. De schrale “witte” grond bleek lang niet altijd geschikt voor alle landbouwproducten. Eindeloos werd geëxperimenteerd met verschillende gewassen. Daarnaast probeerde de overheid door middel van cursussen en voorbeeldpercelen, de kleine landbouwers deskundiger te maken.

Toch was men bij  een bezoek van enkele Statenleden in 1926 redelijk optimistisch over de kleine landbouw. Op schrale grond leken, met enige bemesting, cassave en pinda het goed te doen. Daarnaast waren er percelen met koffie, koren, tabak en bananen. Een goede toekomst werd verwacht van de citrusaanplantingen. Op de lager gelegen delen werd met succes rijst geplant. Daarnaast was er ook optimisme op ander gebied. De weg langs de spoorbaan zag er schitterend uit. Verschillende wegen maakten een goede indruk, apotheek en polikliniek zouden worden vernieuwd. En de school met wel 200 leerlingen draaide goed.

De makkelijke  bereikbaarheid vanuit Paramaribo, was niet louter positief.  Ook foute elementen werden aangetrokken. Er was een duidelijke toename van inbraken en andere criminaliteit. In 1928, het dorp was toen uitgegroeid tot 2500 inwoners, verscheen dan ook  de krachtige roep om een tweede politieman in Lelydorp.

Ondertussen waren een aantal voorzieningen tot stand gekomen. Er was een markt en in 1928 werd Lelydorp verrijkt met een bioscoop en een eigen brandspuit. Ook was er een leer-en naaischool, opgericht vanuit de kerk.

Rond 1933 telde Lelydorp al 2700 inwoners. Een nieuwe polikliniek en een politiekantoor werden aanbesteed en vanuit het dorp kwam de wens om een eigen vroedvrouw. Er heerste optimisme over de landbouw. Nieuwe soorten rijst werden uitgeprobeerd en de teelt van koffie, pinda en tabak leverde aardige inkomsten. Daarnaast was de visserij een voorname bron van inkomsten.

In 1934 kreeg Lelydorp een eigen sportveld, dat feestelijk werd ingewijd met een cricket- en een voetbalwedstrijd.

Toch bleef er veel te wensen. Zowel de watervoorziening als de afwatering leverden problemen op. Vaak waren de akkers te drassig en de wegen slecht begaanbaar.

Op zoek naar drinkwater werden op veel plekken proefboringen gedaan, met grote verwachtingen. Gesproken werd over bronnen die de gehele omgeving, inclusief Paramaribo zouden kunnen voeden.

Tot de tweede wereldoorlog veranderde er weinig. Daarna merkte ook Lelydorp de gevolgen van die oorlog, door de afname van in- en exportmogelijkheden.

Maar de werkgelegenheid nam ook weer  toe door de komst van Amerikaanse troepen op vliegveld Zanderij, wat gepaard ging met veel nieuw te bouwen onderkomens en installaties.

Jacob van der Burg.